Kunst ten tijde van de Weimarrepubliek. Wanneer de nazi's aan de macht komen wordt dit meteen als Ontaarde Kunst afgedaan, en begint Adolf Hitler met de afbraak van de Weimar Cultuur, van de vakbonden tot de drukletters.
Hanns Johst: "
Wenn ich Kulture höre - entsichere ich mainen Browning!"
[Vrij vertaald: "Wanneer ik over cultuur hoor spreken, trek ik mijn revolver!"]
Met dit citaat zette Hanns Johst (1890-1978), een Duits nazistisch schrijver van toneelstukken meteen de teneur van de nazi's ten aanzien
van kunst en cultuur. Johst was de voorzitter van de Reichsschrifttumskammer die na de machtsovername van Hitler door Goebbels werd opgericht.
Enkel zij die lid waren van de Reichskulturkammer, mochten produceren en tentoonstellen. Johst was gedurende het Derde Rijk het uithangbord van de nationaal-socialistische literatuur.
Reeds in 1932, vóór de machtsovername, werd hij lid van de NSDAP, en koos ondubbelzinnig de zijde van Adolf Hitler in
zijn verhandeling Standpunkt und Fortschritt. In 1933 ging zijn grote toneelstuk 'Schlageter' ter gelegenheid van Hitlers
verjaardag in première, over de nationalistische martelaar Albert Leo Schlageter. Dit stuk was aan Hitler opgedragen en
werd een overweldigend succes, dat in ruim duizend verschillende theaters opgevoerd werd.
Dit boek van John Willett is vooral een kijkboek geworden met honderden afbeeldingen die de turbulente periode tijdens de Weimar republiek
illustreren. De weinige jaren van de Weimar-republiek vormden, zowel in de kunst als in de politiek, een periode van scherpe conflicten
en tegenstellingen; nog altijd is de dubbelzinnige geschiedenis en het tragische einde ervan het onderwerp van heftige
discussies. Dit duidelijk afgebakende stuk van de twintigste eeuw, genoemd naar de stad waar de eerste Duitse republiek in 1918 werd uitgeroepen
en in 191 haar grondwet kreeg, is voor onze tijd - en zeker wie zich bezighoudt met de niet aflatende controversen tussen politiek en kunst -
van buitengewone betekenis.
In die vijftien jaar tussen 1918 en 1933 was 'Weimar' - en veelal denkt men daarbij vooral aan het Berlijn van de jaren '20 - een slagveld
in de langdurige worsteling tussen de moderne beweging in de kunst en de wrok van de primitief-conservatieven. In zekere zin was het
een van 's werelds beslissende gevechten, feller, geconcentreerder en minder eenzijdig dan elders uitgevochten in Centraal-Europa.
De slag werd helaas verloren.
Beelden, geschriften en klanken uit die jaren vormen ook nu nog een stimulans en een uitdaging; ze bezitten een kracht die duidelijk
verschilt van de aantrekkingskracht die dergelijke zaken gewoonlijk hebben voor nostalgie of modieuze renaissance; ook nu
nog zijn ze gespreksthema en roepen vragen bij ons op. Bovendien hebben ze een bepaalde frisheid behouden omdat het medium
waarin ze tot ons komen veelal betrekkelijk nieuw was: fotojournalistiek, filmdocumentaire, radio- en geluidsregistratie, alle in die tijd
ontwikkeld en benut door enkele zeer oorspronkelijke talenten.
Die originaliteit heeft, net als de directheid in veel van het traditionelere werk, een rijk arsenaal aan beelden voor het moderne kijken, denken
en luisteren opgeleverd; sommige daarvan hebben een welhaast symbolische betekenis gekregen. De blik van Peter Lorre
in de Film 'M' van Fritz Lang, als hij naar het merkteken op zijn rug staart; de beweeglijke benen van Marlène Dietrich
in De Blauwe Engel; de kortgeknipte jonge Bertolt Brecht in zijn leren jasje met een sigaar tussen zijn vingers; zelfs de giechelende meneer
Norris, van Christopher Isherwood, met zijn lila sokken. Als zulke overbelichte ikonen ons nog heden aanspreken, moeten ze wel
dieperliggende associaties opwekken.
Een gezaghebbend overzicht van beelden uit deze periode heeft altijd behoefte aan een gedenkwaardig beginpunt en een vergelijkbaar eindpunt.
Zo zouden we kunnen beginnen met de dood van Rosa Luxemburg in 1919 en eindigen met de triomf van Adolf Hitler in 1933; Luxemburg, slachtoffer van rechtse moordenaars
die door de eerste socialistische regering van Duitsland feitelijk niet werden bestraft, de bron van een bittere vete ter linkerzijde
gedurende de hele verdere periode; Hitler, de erfgenaam van haar moordenaars, die wellicht alleen aan de macht kon komen dankzij deze vete.
Aan de ene kant de gewelddadige domper op de revolutionaire hoop, aan de andere kant de komst van de fascistische leider met raszuiverheid
en nationale wederopstanding in zijn programma. [Inleiding van John Willett, blz 7 en 8 van het boek]