Edith Louisa Cavell werd geboren op 4 december 1865 te Swardeston, een klein rustiek en charmant dorpje nabij
Norwich in het Engelse Graafschap Norfolk. Haar vader, Frederick Cavell, was dominee van het dorp. Edith was de oudste van vier
kinderen en had nog twee zusters, Florence en Lilian en broertje John. Tot haar negentiende volgde zij onderwijs aan diverse
scholen, en studeerde af aan Laurel Court te Peterborough als onderwijzeres. Zij was artistiek aangelegd, hield van dansen en
van musiceren. Zij schilderde dromerige aquarellen en maakte talloze potloodtekeningen.
In 1890 krijgt ze een betrekking als huishoudster bij de familie François te Brussel, bij wie ze vijf jaren in dienst blijft.
Tijdens de korte vakanties die ze doorbrengt in Swardeston wordt ze verliefd op haar achterneef Eddie maar die huwt een ander meisje. Ze
zal de rest van haar leven op hem verliefd blijven en nooit huwen. Met de familie François bracht ze enkele weken door in Oostenrijk en Beieren,
waar ze onder meer het hospitaal van Dr. Wolfenberg bezoekt. Hier groeit haar interesse in verplegen.
In 1895 keert Edith terug naar Swardeston om er voor haar zwaar zieke vader te zorgen. Haar vader zal predikant blijven van het dorp
tot aan zijn pensioen in 1909. In die periode neemt ze het besluit om verpleegster te worden. Ze doet een paar maanden stage
in het Fountains Fever Hospitaal, waarna zij in april 1896 aanvaard werd om een verpleegsteropleiding te volgen aan
Londen Hospitaal dat toen onder leiding stond van de beroemde Eva Lückes.
In die tijd was het voor verpleegsters hard labeur. Edith moest dagelijks werken van 7 uur 's ochtends tot 21u00 's
avonds met tussendoor amper een half uur lunchpauze en dat aan een miserabel jaarloon van amper 10 Engelse ponden
(=ongeveer 15 euro). In de zomer van 1897 breekt er een tyfus-epidemie uit in Maidstone. Zes van de Miss Lückes verpleegsters
worden er naar toe gezonden om te helpen, waaronder ook Edith. Van de ruim 1.700 zieken zullen er 'slechts' 132 overlijden.
Voor haar werk ontvangt Edith de Maidstone Medal, de enige onderscheiding die ze ooit bij leven van haar land zal
ontvangen.
Ediths verpleegster-ervaring neemt toe en vanaf 1898 wordt ze overal aanbevolen als huis-aan-huisverpleegster. Ze behandelt
longaandoeningen, tyfus en appendicitis. In 1899 krijgt ze een aanstelling als hoofdverpleegster in het St. Pancras, een
armenziekenhuis waar één op vier patienten sterft aan allerhande chronische aandoeningen. In 1903 wordt ze in het
Shoreditch Verpleeginstituut vice-directrice alwaar ze pionierswerk verricht in de nazorg, door het opvolgen van de patienten
nadat ze ontslagen werden uit het ziekenhuis.
In september 1906, is Edith tijdelijk aan de slag in een van de Koninklijke Verzorgingstehuizen voor de Armen te Manchester.
Deze verpleeginstelling werd geleid door Miss Hall, en wanneer deze door ziekte wordt geveld, moet Edith invallen als
directrice van het tehuis.