Jung Chang, de schrijfster van
Wilde Zwanen, en haar echtgenoot
Jon Halliday deden tien jaar onderzoek naar het leven van
de sterkste man die China ooit heeft gekend: Mao Zedong. Zijn heerschappij van 27 jaar kostte aan ruim 70 miljoen Chinezen het leven.
Mao. Het onbekende verhaal is gebaseerd op talloze interviews met mensen uit de directe omgeving van Mao in China en met vrijwel iedereen buiten China die
contact met hem hebben gehad. Velen hebben nooit eerder iets durven zeggen over hun ervaringen. Deze biografie is het best gedocumenteerde werk
dat ooit over het leven van Mao is geschreven en vertelt over een Mao die wij niet kennen, een man die niet werd gedreven
door idealisme of ideologie en die intrigeerde, vergiftigde en chanteerde. Het geheime doel waarnaar hij streefde was de
overheersing van de wereld.
Jung Chang en Jon Halliday schetsen het karakter van Mao en schreven het tot nu toe onbekende en schokkende verhaal over zijn
gedrag tegenover vrouwen, minnaressen en kinderen. Daarnaast geven de auteurs een zeer heldere kijk op de Chinese, culturele en
maatschappelijke geschiedenis. Het verteltalent van Jung Chang en de wetenschappelijke aanpak van beide auteurs maken van dit boek de compleetste en leesbaarste
biografie van de man die het leven van miljoenen Chinezen diepgaand heeft beïnvloed en de wereldpolitiek dertig jaar
lang in zijn ban hield.
Jung Chang werd in 1952 in China geboren. Als achttienjarig meisje was ze Rode Gardiste, ze werkte op het land, als blotevoetendokter, als
staalarbeider en als electricien voor ze Engels ging studeren en vervolgens doceerde aan de universiteit van Sichuan. In 1978 verliet zij China om aan de universiteit
van New York te gaan studeren. Haar boek
Wilde Zwanen verscheen in 1991 en wereldwijd werden meer dan 10 miljoen exemplaren verkocht. Het
is daarmee het best verkochte boek dat er ooit over China verscheen.
Jon Halliday is historicus en was verbonden aan King's College in Londen, waar hij onderzoek deed en
universiteitsbestuurslid was. Hij schreef verscheidene boeken.
Recensie door
Piet de Moor op Liberales:
http://www.liberales.be

‘
We kunnen alleen lege kanonnen afvuren en vloeken.’ Dat was de balans die voorzitter Mao zelf maakte van de toestand waarin China midden jaren zeventig vorige eeuw verzeild was geraakt. Hij was toen al in de tachtig en stervende, al was hij de laatste die dat mocht weten. Zijn omgeving was immers bang dat hij zich dan toch weer zou gaan gedragen als een ongeleid projectiel. Geen haar op Mao’s hoofd dat eraan dacht zelf verantwoordelijkheid te nemen voor de puinhoop die hij in China had aangericht. Wat er misliep, was altijd de schuld van de anderen. Inmiddels had Mao wel de atoombom in zijn bezit, maar dat was een papieren tijger aangezien het Chinese raketsysteem dat wapen nauwelijks over de grenzen van China kon tillen. Een supermogendheid was China niet geworden. Bijna alle wapensystemen waarover het reusachtige land beschikte, waren gevaarlijker voor de eigen troepen dan voor de vijand. Dat was sedert 1949, toen Mao en de communisten hun republiek uitriepen, al altijd het geval geweest en er was niemand die het niet wist. Het Chinese Mao-tijdperk eindigde met vliegtuigen die niet konden vliegen en met tanks die niet in een rechte lijn konden rijden. Dat gestumper was chronisch geweest. Toen Mao eens besloot zijn Vietnamese collega Ho Chi Minh een helikopter cadeau te doen, waren de Chinese fabrikanten zo bang dat hij neer zou storten dat ze hem aan de grens tegenhielden.
Het beeld van de aftakelende Mao was een metafoor voor een reusachtig land in agonie. Daar lag hij dan, lijdend aan de ziekte van Lou Gehrig die hem geleidelijk verlamde en die uiteindelijk zijn ademhaling stil zou leggen. Op het einde van zijn leven was Mao onverstaanbaar geworden. Zijn eten kwam voortdurend in zijn longen terecht, waardoor hij bijna stikte en ontstekingen kreeg. De buitenlandse politieke leiders die hem destijds nog bezochten, troffen hem snurkend of grommend aan, druipend van het speeksel: een beeld van terminale seniliteit. De man onder wiens bewind zeventig miljoen mensen omgekomen waren, baadde letterlijk in zelfmedelijden, wat hem in zijn laatste levensfase broederlijk verenigde met het mensentype Hitler en Stalin. Zijn staf zag geregeld de tranen over zijn gezicht stromen. Maar de stervende leider weigerde zijn beschermeling Hua Guofeng officieel tot zijn opvolger te benoemen omdat Mao bang was dat zo’n pretendent te veel haast zou hebben en het in zijn hoofd zou kunnen halen om de opvolgingsprocedure te versnellen. Het was Mao’s laatste ambitie om voor de buitenwereld te sterven als de onbetwiste heerser van China. Hij smeekte zijn omgeving om geen coup tegen hem te plegen, althans drukte hij zijn bondgenoten (of wat daar nog van overbleef) op het hart om daarmee tot na zijn dood te wachten. Toen hij uiteindelijk zijn einde voelde naderen en mevrouw Mao zich bij het stervensbegeleidingsteam had gevoegd, bleef ze achter het bed van haar man staan, omdat hij in het verleden altijd geïrriteerd was geweest telkens als hij haar bij zijn wakker worden had gezien. Toen hij op 9 september 1976 stierf, was geen van zijn kinderen daarbij aanwezig. Hij had ook nooit naar hen omgekeken.
Mao, het onbekende verhaal van Jung Chang en Jon Halliday, is zonder meer een verpletterend verhaal. De auteurs hebben erg diep gegraven. Ze hebben de hele Mao-literatuur doorgenomen en op het nippertje de laatste levende ooggetuigen aan de tand gevoeld. De auteurs hebben een massa nieuwe feiten aan het licht gebracht. Dit boek is veel meer dan zomaar een biografie: door de persoon van Mao heen wordt ook tachtig jaar Chinese geschiedenis op het scherm van de wereldpolitiek geprojecteerd. Behalve de levensloop van Mao zelf, krijgen we schitterende miniportretjes gepresenteerd van tientallen figuren die je alleen maar figuranten kunt noemen omdat ze in de dodelijke schaduw van de grote roerganger hebben geleefd: tijdelijke Mao-bondgenoten en trawanten als Lin Biao, Zhou Enlai en Peng Dehuai, maar ook een tegenstander als de nationalistische leider Chiang Kai-shek, die als mens gunstig afsteekt bij zijn opponent. Chiang sloofde zich namelijk uit om zijn zoon, die in Rusland gegijzeld werd, uit de klauwen van Stalin te redden. Het is ondenkbaar dat Mao, die ook kinderen had die in Rusland verbleven, ooit tot zo’n menselijke actie in staat geweest zou zijn. Toen hij in 1950 vernam dat zijn zoon Anying in de Koreaanse oorlog gesneuveld was, gaf hij geen krimp en mompelde hij alleen maar: ‘Hoe kunnen er in een oorlog geen doden vallen?’ Hij bracht de weduwe van zijn zoon niet op de hoogte en maakte zelfs grapjes tegen haar alsof haar echtgenoot nog leefde.

Het behoort tot de ingebouwde en onvermijdelijke paradoxen van dit kolossale China-verhaal, dat zoveel schitterende details en zijsprongen in de grote stroom van de vertelling ten onder dreigen te gaan. Een van de weinige figuren die er in dit gruwelijke boek goed van af komen, is Mao’s tweede echtgenote Yang Kaihui, die op negenentwintigjarige leeftijd door anticommunisten werd geëxecuteerd omdat ze toevallig in Changsha woonde, de stad die eind jaren twintig belegerd werd door de man die zich van haar had afgekeerd. Mao had zijn ex-vrouw gemakkelijk kunnen redden, maar hij verzuimde dat. Tientallen jaren na haar dood en vele jaren na het overlijden van Mao zelf werden in kieren en spleten van haar huis de dagboeknotities teruggevonden die ze tot 1929 had bijgehouden. In een van die stukjes formuleerde ze haar droefheid bij het feit dat zo vele tijdgenoten hun moordzucht botvierden en ervan genoten: ‘Mijn idee dat slechts een klein aantal wrede mensen tot doden in staat is blijkt in dit geval dus niet waar te zijn. En zo heb ik de geest van onze tijd gevonden.’ Maar wat Yang Kaihui had meegemaakt, zou verbleken bij wat de massa Chinezen onder Mao nog te wachten stond.
Nieuw in deze nieuw Mao-biografie is de geschiedenis van het grote aandeel van de Sovjet-Unie in de Chinese omwentelingen. Dat is een ingewikkelde affaire, maar Jung Chang en Jon Halliday slagen er voortreffelijk in om de wisselende allianties tussen en de verschillende dubbele agenda’s van de verschillende partijen (Chiang Kai-shek en Mao Zedong aan de ene en Stalin aan de andere kant) te verklaren aan de hand van de oorlogsgebeurtenissen eind jaren dertig en begin jaren veertig. In die periode slaagde Stalin erin een Japanse oorlog tegen Rusland af te wenden door de Japanse agressors aan China te binden. Voor Mao zelf ging het er toen om zijn eigen rode troepen te sparen en die van Chiang uit te putten, opdat hij na het interne conflict de macht zou kunnen grijpen en zijn alleenheerschappij zou kunnen vestigen, wat in 1949 ook gebeurde. Meer dan één keer heeft de cynicus Mao na de oorlog de Japanners bedankt voor hun ‘enorme hulp’ en het typeert hem dat hij zich geen enkele keer negatief heeft uitgelaten over de enorme slachtingen die de Japanners destijds in China hebben aangericht.
Zo krijgen we een beeld van een Mao die alleen voor de schijn de nationalistische gevoelens van de Chinezen bespeelde. Ook daarin was hij sluw. De Chinese leider deed Stalin een enorm cadeau door na de machtsgreep alle banden met het Westen door te snijden, maar dat gebaar paste thuis ook wel in het imago van de doorgewinterde anti-imperialist die Mao voorwendde te zijn. In ruil voor een dubieus aantal Russische industrieprojecten stemde Mao er echter mee in dat de Russen twee Chinese provincies met de rijkste minerale hulpbronnen begonnen te exploiteren en dat Stalin de reserves (wolfraam etc.) van deze ‘koloniën’ (zoals Mao Mantsjoerije en Xinjiang tegenover intimi noemde) gedurende veertien jaar ongehinderd kon plunderen, een wapenfeit waarmee de roerganger, aldus de biografen, ‘China tot halverwege de jaren zestig van de kans beroofde ongeveer negentig procent van zijn verkoopbare grondstoffen op de wereldmarkt te verkopen.’
Net zoals dat voor de Sovjet-Unie onder Stalin gold, is het voor een buitenstaander moeilijk om het Mao-tijdperk rationeel te benaderen. Die benadering wordt eenvoudiger als je Mao’s dictatuur ziet als een stelsel dat ik nog het liefst met de term corporatuur zou definiëren. Dat is een totalitaire dictatuur die zich van niet-totalitaire dictaturen onderscheidt omdat ze zich altijd op een populistische manier verzekert van de vaak onvoorwaardelijke bijstand van wisselende bevolkingssegmenten die zich op andere groepen willen wreken. Door die methode consequent en zonder scrupules toe te passen, kon een onaangename, wrede en zelfs totaal oncharismatische despoot als Mao blijven rekenen op een hysterische aanhang van belangrijke delen van de massa, die hij feitelijk alleen maar verachtte. In zijn belangrijke boek De totalitaire paradox (1984) heeft de Nederlandse socioloog Erik van Ree dat rare fenomeen treffend als volgt omschreven: ‘Kort samengevat is mijn stelling dat stalinisme en maoïsme steunden op participatie van grote aantallen verdwaasde, maar door een ideaal bezielde mensen die zich aan de autocraat onderwierpen omdat zij hem als de belichaming van hun ideaal zagen’.

Mao heeft dat idealisme genadeloos in zijn voordeel geëxploiteerd. Voortdurend zette hij dodelijke vallen uit. Zijn oproep om honderd bloemen te laten bloeien (1957), die door de Chinese intellectuelen werd verstaan als een appèl om hun kritiek op het systeem te ventileren, was niets anders dan een hinderlaag om de ‘reactionairen’ en ‘rechtsen’ te ontmaskeren. In zijn scatologisch idioom, waarin Mao als geen ander schitterde, legde hij zijn plan aan slechts enkele ingewijden voor: ‘We wilden dat die zonen van schildpadden [klootzakken] naar buiten kwamen en zongen en scheten lieten (…) Op die manier kunnen we ze vangen.’ Maar dat was slechts klein bier tegenover de grote zuiveringen die Mao vanaf 1966 onder de eufemistische benaming ‘
Culturele Revolutie’ in gang zette. Het was alsof de stop werd getrokken uit een vulkaan. Het was een grote en gewelddadige ontlading die zich voordeed bij een Chinese jeugd die al die jaren maatschappelijk buiten spel was gezet en die zich nu, met de steun van de leider, overgaf aan een orgie van geweld. Van Mao kregen leger en politie uitdrukkelijk het bevel dat ze niet tegen de plunderende en brandstichtende jongeren op mochten treden. In een eerste fase kregen de jongeren te horen dat het hun rol was Mao te beschermen omdat hun docenten op school en aan de universiteit hem kwaad wilden doen. De verlengde bijltjesdag die toen uitbrak, leidde ertoe dat uiteindelijk ook de vaders-functionarissen van de losgeslagen jeugd werden vernederd, geslagen, gefolterd en gedecimeerd. De gevallen kaderleden werden vervangen door voornamelijk jonge militairen die wisten dat ze behalve hun hondentrouw geen enkele verdienste hadden, en dat ze niets anders hoefden te doen dan Mao toe te juichen zodat ze uit zijn hand konden blijven eten. Sindsdien was het hele regime gegrondvest op pure terreur.
Mao wilde niets opbouwen, hij was een uitgekookte en geslepen autocraat die er alles voor over had om zijn autocratie te consolideren. Wie zoals Jung Chang en Jon Halliday zoeken naar een verklaring voor de permanente chaos waarin China tot aan de dood van de grote roerganger verkeerde, komt uiteindelijk altijd weer tot de conclusie dat een of andere vorm van chaos het doel was van de tiran. Maar vanzelfsprekend was het een chaos die door Mao werd geregisseerd. Dat miserabele project staat ons nu in alle helderheid voor ogen, zowel in de grote lijnen (bvb. de uitbuiting van de boeren voor de financiering van de ‘grijze baarden’, zoals de mislukte industriële projecten werden genoemd) als in de details. Op een dag werd Mao getroffen door de gedachte dat het voedsel van het land beveiligd kon worden als de hele Chinese bevolking maar genoeg herrie maakte om de mussen zolang in de lucht te houden tot ze van vermoeidheid dood op de grond zouden neervallen. Maar toen bleek dat de bestrijding van de mussen net het omgekeerde effect had en er grote plagen uitbraken, plaatste de Chinese regering een geheime bestelling bij de sovjetambassade in Peking: of de sovjets in naam van de internationalistische internationale liefst zo snel mogelijk tweehonderdduizend mussen naar China wilden sturen.
In Mao’s ogen waren China en de Chinezen slechts grondstoffen die de aanbiddelijke heerser moesten voeden en vereren. Hij deed niet eens veel moeite om dat tirannieke project te verbergen achter de communistische ideologie, want Mao praatte in het openbaar graag over menselijk lijden en dood, en zijn eigen cynisme daarover vond hij het toppunt van grappigheid. In Moskou schokte Mao de oude stalinisten door tijdens congressen te speculeren over het verdwijnen van de halve wereldbevolking ten bate van het socialisme. Zijn appetijt betrof eigenlijk de hele wereld en het hele universum, die hij verslonden zou hebben als hij ze maar door zijn keelgat had gekregen. In het licht van zijn onverzadigbare machtshonger zijn de constipaties waaraan Mao zijn hele leven leed meer dan begrijpelijk. Geen wonder dat de dictator het liefst praatte over de stront die zijn lichaam niet wilde verlaten, en over de zaligheid die hem vervulde als hij zijn darmen toch kon ledigen. Zijn ontlasting was dan het wereldnieuws waarop hij zijn omgeving vergastte, samengevat in de grote boodschap: ‘Ik kan een hoop eten en een hoop schijten.’
In de geschiedschrijving begon de aftakeling van Mao Zedong halverwege de jaren zeventig, met de schitterende trilogie Les habits neufs du président Mao, Ombres chinoises en Images brisées van onze schrandere landgenoot Simon Leys. Daarom mag de ondertitel van Mao, het onbekende verhaal van Jung Chang en Jon Halliday ietwat overdreven lijken. Deze standaardbiografie van Mao Zedong is niettemin het imposante sluitstuk van een demontage en ontmaskering die al langer aan de gang was: een noodzakelijke ontluistering van een nietsontziende, niet eens zo slimme, maar geslepen machtsmens die een ideologie gebruikte om zijn laagste machtsinstincten bot te vieren.