
16 juni 1967: Links generaal Ariel Sharon met naast hem de toenmalige premier Menachem Begin
In de korte, hete zomer van 1967 explodeerde het Arabisch-Israëlische conflict met onverwacht en verbluffend geweld. Er waren
slechts zes dagen nodig om de kaart van het Midden-Oosten te moeten hertekenen, toen de legers van Israël de grootte van hun land
verdubbelden in de meest sensationele, snelle en complete campagne die ooit is opgetekend.
Sinds Israël in 1946 onafhankelijk was geworden hadden negentien jaar lang twee miljoen geharde, vindingrijke joden geleefd in de nieuwe staat in een atmosfeer
van spanning en onzekerheid, aan drie zijden omgeven door 50 miljoen Arabieren. Ze waren ontsnapt aan de sjetls van Polen en Rusland,
ze hadden de hel van nazi-Duitsland doorstaan en hadden van de woestijnen in Palestina landbouwgebieden gemaakt. Maar ze
waren ingesloten door onverzoenlijke vijanden. Van Beiroet tot het Atlasgebergte strekte zich een zee van haat uit, die reeds
twee keer overstromingen veroorzaakt had -in 1948 en in 1956. Twee keer waren de Arabieren verslagen, maar hun nederlagen
hadden hun haat tegen de 'westerse abces' in hun midden alleen maar aangewakkerd.
Hoe verdeeld ze ook waren over de meeste dingen, de 'socialistische' kolonels en de 'progressieve' sjeiks die de Arabische wereld
beheersten, konden elkaar altijd vinden als het om één punt ging: het verlangen om de staat Israël te vernietigen... om Israël
van de kaart te vegen... om de joden de zee in te drijven... om met geweld een eind te maken aan het bestaan van de zionisten.
Om dit doel te bereiken concentreerden ze zich op het voorbereiden van een oorlog -grotendeels ten koste van hun eigen nationale belangen. Propagandacampagnes waren een
essentieel onderdeel van hun voorbereidingen en de 'haat-Israël'-campagne waarmee in 1956 gestart werd, breidde zich geleidelijk uit en
werd steeds heviger. Pamfletten, films, radio, televisie en zelfs schoolboekjes werden gebruikt om de 'ideologische' campagne tegen Israël aan te wakkeren...
Op 1 juni 1967 verklaarde de toenmalige Egyptische president Djamal Abd al-Nasser: "De legers van Egypte, Jordanië,
Syrië en Libanon staan klaar aan de grenzen van Israël... om de uitdaging aan te gaan, terwijl de legers van Irak,
Algerije, Koeweit, Soedan en de hele Arabische natie achter ons staan. Deze gebeurtenissen zullen de wereld verbijsteren.
Vandaag zullen ze weten dat de Arabieren klaar zijn voor de strijd, het kritieke uur is aangebroken. We hebben het punt
van serieuze actie in plaats van meer verklaringen bereikt."
Nasser laat de Golf van Akaba afsluiten voor de Israëlische schepen en stuurt massaal troepen naar de grens met Israël.
Een antwoord vanuit Israël liet niet lang meer op zich wachten. Op 3 juni zette de Amerikaanse regering het licht op groen
voor Israël en gaf het Israëlische leger de toelating om een preventieve aanval te openen tegen Egypte, Syrië en Jordanië.
In de ochtend van 5 juni 1967 opende Israël het vuur.... zes dagen later was de oorlog voorbij. Israël veroverde op de Egyptenaren
de Sinaï-woestijn, op Syrië de Golanhoogte en op Jordanië de zogeheten 'Westbank'....