|
Pagina 1 van 3
Ooggetuigeverslag van Hermann Friedrich Gräbe op het Neurenbergproces
Hermann Gräbe, de 'Oskar Schindler van de Oekraïne'
Hermann Friedrich
Gräbe werd op 19 juni 1900 geboren te Sölingen. In 1924 studeerde hij af als ingenieur en huwde datzelfde jaar.
In 1931 trad hij toe tot de NSDAP, de partij van Hitler. Enkele jaren later in 1934 kwam het tot een breuk met de partij. Gräbe had snel de boosaardigheid van
de NSDAP door en de agressie tegenover de Joden. Hij bracht dit tijdens een vergadering van de partij ter sprake en werd uitgestoten. Vanaf dan stond hij voortdurend
onder toezicht van de Gestapo die hem herhaaldelijk zal opsluiten in de gevangenis van Essen doch telkens korte tijd later weer zonder proces noch veroordeling
vrijgelaten. Tussen 1938 en 1941 werkt hij in opdracht van Organisation Todt voor de firma 'Josef Jung' aan de West-Wall. Na 1941 werd hij door zijn firma naar de
de provinciestad Sdolbunow in West-Oekraïne gezonden als logistieke ondersteuning en controle van grootschalige bouwprojecten.
In Dubno is hij op 5 oktober 1942 toevallig getuige van massa-executies van zo'n 3.000 tot 5.000 Joden door een Einsatzkommando van Einzatgruppe C die samen met Einsatzgruppe D de
ganse Oekraïne uitkammen op jacht naar Joden en Partizanen. Wanneer Gräbe en zijn compagnon Hubert Mönnikes na hun aankomst op de luchthaven naar Dubno reizen, passeren zij een vrachtwagen vol met gevangen Joden, die halt hield ter hoogte van
beide mannen. Een Oekraïens Milizkommando sprong uit de vrachtwagen en onder voortdurende slagen met zwepen en geweerkolven dreven zij de mensen uit de vrachtwagen.
Gräbe was er getuige van hoe de mensen bevolen werden zich volledig uit te kleden.
Later herinnerde hij zich het afschuwelijk schouwspel als volgt: "Ich wollte meine Augen abwenden,
aber es gelang mir nicht, sie blieben fest auf die Menschen gerichtet. Sie stapelten ihre Kleidung zu kleinen Haufen, die nach Art der Kleidung und Geschlecht getrennt
waren. Die Kinderbekleidung wurde auf gesonderten Haufen abgelegt. Es lief so kalt, so planmäßig ab. Bald standen alle Juden von dem Lastwagen, es mögen etwa
fünfundzwanziggewesen sein, nackt hinter dem Dreckhügel. Mönnikes und ich gingen auf die Grube zu - es war so etwas wie eine magnetische Anziehung, ich konnte mich
ihr nicht entziehen. Ich weiß nicht, welche Kraft mich zwang, dorthin zu gehen und zuzuschauen. Was immer es war, es war stärker als mein Wille."
Gräbe en twaalf van zijn medewerkers gaan verder aan de slag op het strategisch zo belangrijke spoorwegknooppunt en richten er betonnen colonnen en constructies op.
Maar Gräbe was ook de werkgever voor de bouwfirma Jung, die in Dubno een filiaal had opgericht. Op de talrijke bouwwerven verschafte Gräbe werk aan ongeveer 2.000
arbeiders, de meeste daarvan waren Joden. Hij is zich goed bewust van het belang die de inzet van zijn arbeidskrachten voor de oorlog betekende en slaagt erin om extra
levensmiddelen los te peuteren voor zijn Joodse arbeiders van Gebietskommissar Georg Marschall, zodat ze niet zouden omkomen van de honger tijdens het hard labeur.
Wanneer hij toevallig verneemt dat de SS zinnens is om de laatste Joden te liquideren, staat zijn besluit om zoveel mogelijk Joden te reddden vast. Samen met zijn Joodse
secretaresse Maria Bobrow smeedt hij een gewaagd plan: hij bezorgt zijn beschermelingen geld en valse papieren. In een straal van ongeveer 1000 kilometer
richt hij zoveel mogelijk nieuwe bouwwerven op alwaar de Joden ongemerkt onderduiken konden. In de zomer van 1942 ervaart Gräbe dat de SS de liquidering van het Joodse getto van Rowno
plant. Hij eist van de SS een veilige aftocht voor zijn Joodse arbeiders en zijn eis wordt ingewilligd: terwijl de SS en Oekraïnse milities moordend en brandschattend
door het getto van Rowno razen, marcheert Gräbe, gewapend met een machinegeweer, aan het hoofd van een ongeveer honderdkoppige kolonne van Joden het getto uit. In september 1944 breekt Gräbe aan het hoofd van zo'n 20 van zijn beschermelingen doorheen de linies en beland bij de Amerikaanse Geallieerden.
Op 10 november 1945 schrijft Gräbe zijn ooggetuiverslag neer dat in 1946 als bewijsmateriaal werd aangewend op het Proces van Neurenberg. Daarmee was Gräbe de enige
Duitse getuige in Neurenberg. In het naoorlogse Duitsland wordt de redding van zoveel Joden door Hermann Gräbe tijdens de oorlog opvallend doodgezwegen. In 1948
emigreert Hermann Fritz Gräbe, met zijn vrouw Elisabeth en zoon Friedel over New York naar San Francisco. Tijdens de jaren zestig
worden er verschillende processen gevoerd tegen SS-oorlogsmisdadigers en wordt Gräbe als getuige ten laste naar Duitsland gehaald. In de toenmalige Bondsrepubliek
Duitsland ontstaat een groteske beschamende haatcampagne rondom Gräbe en wordt zijn getuigenis openlijk aangevallen en betwist. Hij wordt beschuldigd van meineed en
aangeklaagd.
Onder de leiding van Der Spiegel groeit de lastercampagne tegen Gräbe uit tot een ware mediaoorlog. Een artikel van Der Spiegel van 29 december 1965 ruineert zijn
goede naam voorgoed. Sinds oud-nazi's kort na de oorlog opnieuw lucratieve posities bezitten in Justitie en Parlement en opvallend milde vonnissen worden uitgesproken
over oorlogsmisdadigers, is Gräbe persona nog grata in zijn eigen geboorteland.
Intussen werd Gräbe in 1965 in Israël erkent door Yad Vashem voor zijn redding van vele Joden en plantte hij een boom met zijn naam in de laan van Rechtvaardige
onder de Volkeren. In Duitsland weigert men Gräbe alle erkenning. Dat zal pas veranderen als de film 'Schindlers List' van Steven Spielberg miljoenen mensen naar
de cinimazalen trekt en ook het Duitse bewustzijn wordt gesensibiliseerd door de Duitse cineasten Dietrich Schubert en Wolfgang Heuer die in 2000 hun documentairefilm
»In Deutschland unerwünscht« [Ongewenst in Duitsland] uitbrachten. Bewijzen ten gunste van Gräbe werden eindelijk in de openbaarheid gebracht.
In de Verenigde Staten had de theoloog Douglas K. Huneke in de jaren tachtig een biografie over Hermann Gräbe geschreven die in 2002 eindelijk haar Duitse vertaling vond
in het nieuw verenigde Duitsland en Gräbe in terecht ook in eigen land de erkenning zal krijgen die hij verdiende.
Ongewenst in Duitsland: Hermann Friedrich Gräbe
Kort
fragment van de documentaire van Dietrich Schubert die in 2000 werd uitgebracht omtrent Gräbe. In 1986 werd Gräbe zowel in San Francisco (Verenigde Staten) als
in Israël geëerd, maar terzelfdertijd in zijn geboorteland Duitsland verguisd als een leugenaar, verrader en nestbevuiler.
Dubno tijdens de Tweede Wereldoorlog
Dubno, gelegen aan de rivier Ikva in de provincie Wolynië, situeert zich in het uiterste noord-westen van de Oekraïne, niet ver
van de grens van Polen met Wit-Rusland. Volgens bevolkingscijfers van 1897 woonden er toen 13.785 personen, waaronder een grote bloeiende Joodse gemeenschap van
5.608 Joden. Dubno maakte vele eeuwen tot aan de Tweede Wereldoorlog deel uit van Polen. Nadat het Derde Rijk met de Sovjet-Unie een niet-aanvalsverdrag had afgesloten
(het Molotov-Von Ribbentrop pact van 24 augustus 1939) werd Polen verdeeld en bezet door beide landen. Het Poolse Dubno werd door het Rode Leger ingelijfd bij de Sovjet-Unie.
Nog geen twee jaar later verbreken de Duitsers het vredesverdrag en vallen op 22 juni 1941 Rusland binnen, Operatie Barbarossa liep van start. Tijdens de Slag van Brody
in het westen van Oekraïne werd, na vier dagen van hevige gevechten die begonnen waren op 26 juni 1941, de stad Dubno ingenomen door de 1ste Pantserdivisie geleid
door Ewald von Kleist. Terugtrekkende Sovjet-troepen hadden eerst nog een massacre aangericht onder de Poolse bevolking van Dubno waarbij door de NKVD
(de Russische geheime dienst) ongeveer 550 Polen werden terechtgesteld.
Kort nadat de stad door de nazi's werd bezet, werd er in het voorjaar van 1942 een groot getto opgericht waar de Joden van de ganse regio in werden opgesloten.
Ongeveer 12.000 Joden (zowat 59% van de inwoners van het gebied voor de oorlog) werden vermoord tijdens de holocaust. De meesten van hen werden doodgeschoten
tijdens massale terechtstellingen die buiten de stad werden uitgevoerd door de eenheden van de Einsatzgruppen, bijgestaan door Oekraïense collaborerende 'landstormers'.
Het is over deze massa-executies waarover Hermann Friedrich Gräbe getuigenis aflegde ten tijde van het Neurenberg Proces in 1946. Een andere jonge Duitse officier
van het 9de Infanterieregiment, Axel von dem Bussche, was eveneens getuige van enkele van deze executies en reageerde door zich aan te sluiten bij de verzetsbeweging
tegen Hitler. Na de oorlog werd Dubno 'weggegeven' aan de Sovjet-Russische Republiek Oekraïne. Oekraïne (hoofdstad Kiev) is sinds 24 augustus 1991 onafhankelijk.
|