Boekbespreking door
Willem Bouwman. Bron:
Nederlands Dagblad
Nederlandse Joden zijn tijdens de oorlog voor minstens een miljard gulden beroofd en Nederlandse banken hebben daaraan meegewerkt. Deze feiten snelden de
publicatie van Gerard Aalders boek Roof enkele dagen vooruit. Opnieuw was de Tweede Wereldoorlog nieuws, opnieuw kwam er een smet op het Nederlandse
oorlogsverleden. Aalders biedt niet alleen onthullingen. Zijn boek gaat over alle vormen van roof uit het bezette Nederland. Het is het eerste van drie delen,
waarvan het tweede handelt over de teruggave en het rechtsherstel na de oorlog. Deel drie gaat over de roof van het monetaire goud uit de kluizen van
De Nederlandsche Bank en het naoorlogs gevecht om dat goud terug te krijgen. Deel twee en drie moeten nog verschijnen.
Het eerste deel, Roof, bracht sensatie teweeg, maar het lezen ervan is geen sensatie, want daarvoor is het boek te degelijk. Het is een nauwgezette weergave
van alle mensen, motieven, middelen, procedures en organisaties die de Duitsers gebruikten om maximaal profijt te slaan uit de bezetting van Nederland.
Aalders gaat zeer zorgvuldig te werk. Aantallen en bedragen verantwoordt hij nauwkeurig en bij twijfel waarschuwt hij voor snelle conclusies. Roof is bovendien
een feitelijk boek. De auteur registreert, analyseert en interpreteert als een rekenmeester. Tussen inleiding en conclusie resoneren nauwelijks waardeoordelen.
De stijl is al even nuchter.
Die afstandelijkheid is wel begrijpelijk. Aalders is zo vaak op bizarre gevallen van roof en ingewikkelde intriges gestuit, dat hij zich nauwelijks meer verbazen
kon. De roof van Joodse goederen was een onderdeel van de totale beroving van bezet Nederland. Ze begon al snel na de capitulatie op 14 mei 1940. Het
betalingsverkeer tussen Nederland en Duitsland werd geliberaliseerd, waarbij De Nederlandsche Bank Duitse rijksmarken moest wisselen tegen een vaste,
onvoordelige koers. Nederland moest ruim zeven miljard gulden bijdragen aan de bezettingskosten en het moest maandelijks 37,5 miljoen gulden betalen voor de
oorlog tegen de Sovjet-unie (!). Op grote schaal vorderden de Duitsers fietsen, schepen, radio's, textiel, huisraad, vee, auto's, treinen, schepen. Duitse
bedrijven namen aandelen in Nederlandse ondernemingen teneinde beide landen economisch te vervlechten. Hermann Göring kwam naar Nederland om de mooiste
schilderijen mee te nemen. Hij was een van de vele nazi's die zich persoonlijk verrijkten met oud Nederlands cultuurgoed. Zo dachten ze zich status te
verschaffen.
Reichskommissar Arthur Seyß-Inquart (rechts), Hans Fischböck (2e van rechts) Höhere SS- und Polizeiführer Hanns Rauter
(4e van rechts) Hans Fishböck was in Nederland actief in de plundering van Joodse eigendommen. In Nederland kreeg hij, als commissaris-generaal van Financiën,
het alleenrecht om Nederland systematisch leeg te roven van kapitaal en goederen en het nemen van andere maatregelen die het land economisch naar de
afgrond deden glijden. Ook in Nederland liquideerde hij, net als in Oostenrijk, honderden Joodse ondernemers en maakte hij hun bezittingen tot Duits
staatseigendom. Ook van weggevoerde Joden werden effecten, juwelen, geld, bankrekeningen, girogelden, hypotheken, etc., door Fischböcks administratie
gevorderd en gestort op de Lippmann- en Rosenthalbankrekeningen. Fischböck beheerde, als hoofd van de Nederlandse afdeling Deutsche Revisions - und Treuhand AG,
naast Joods bezit ook de in handen gevallen 'vijandelijke' vermogens. Deze hadden betrekking op alle vormen van bezit, zowel roerende als ontroerende goederen,
alle soorten betaalmiddelen, effecten en dergelijke. Het roven van Joods bezit is bekend onder de ‘fase van arisering', de onteigening van Joodse ondernemers.
In Nederland werden rond 1942 alle rekeningen van Joden bevroren en uiteindelijk gestort op de Sammelkonto van Lippmann en Rosenthal.
Bron: Go2War.nl
De Duitsers deden hun best om de roof een schijn van recht te geven. Na de slag om Arnhem werd dat anders. Er werd grof geplunderd, vooral in Arnhem zelf.
Uiteindelijk namen de Duitsers alles wat hun in de strijd van pas kon komen: 'Recht ist, was Deutschland nützt.' Zeventig procent van alle oorlogsroof gebeurde
tussen september 1944 en mei 1945. Per hoofd van de bevolking leed Nederland een schade van 8100 gulden. Dat bedrag valt in het niet bij de schade die de Joden
leden. Hun materiële schade bedroeg minsten 74.000 gulden per persoon. Het voornaamste instrument waarmee de Duitsers de buit binnenhaalden, was de roofbank
Lippmann, Rosenthal & Co. aan de Sarphatistraat. Voortdurend wijst Aalders erop dat de Duitsers hun diefstal zoveel mogelijk verhulden, en deze roofbank is er
een goed voorbeeld van.
Allereerst was Lippmann, Rosenthal en Co de naam van een degelijke, solide bank in Joodse handen aan de Nieuwe Spiegelstraat. De roofbank aan de Sarphatistraat
had een gelijkluidende naam, maar had verder niets met de echte Lippmann, Rosenthal en Co aan de Nieuwe Spiegelstraat te maken. Beide administraties waren strikt
gescheiden. De roofbank was feitelijk niet eens een bank. Verder werd ze voortdurend aangeduid als 'Sarphatistraat', hoewel de Sarphatistraat was omgedoopt
tot Muiderschans, zoals alle straten met Joodse namen een andere naam hadden gekregen. (Samuel Sarphati (1813-1866) was een Joodse arts.) Op deze manier hoopten
de Duitsers vertrouwen te wekken onder de Joden en paniek te dempen.
Met twee verordeningen werden de Joden van hun bezittingen beroofd. De Eerste Liro-verordening, van 8 augustus 1941, bepaalde dat ze hun contante geld moesten
overboeken op hun rekening bij de roofbank, die speciaal voor dit doel geopend was. Duizend gulden mochten ze in eigen beheer houden. Over het ingeleverde geld
konden ze nauwelijks meer beschikken. Het opnemen van geld gaf enorme rompslomp en kostte één procent provisie, berekend over het aangevraagde en niet over het
toegestane bedrag. In totaal leverden de Nederlandse Joden tussen de 325 en 455 miljoen gulden in aan cash, cheques en bank- en girosaldi.

De Tweede Liro-verordening, van 21 mei 1942, bepaalde dat de Joden al hun vorderingen schriftelijk bij Liro moesten aanmelden, zodat de roofbank de nieuwe
schuldeiser zou zijn en de vorderingen in haar kassen zouden vloeien. Vorderingen waren huren, pachten, hypotheekrenten, arbeidspensioenen, banktegoeden etc.
Bovendien moesten de Joden waardevolle collecties kunstvoorwerpen, goud, platina, zilver, edelstenen en parels inleveren bij Liro. Trouwringen en gebitsgoud
mochten ze houden, evenals gebruikt tafelzilver, hoewel theelepeltjes beslist ingeleverd moesten worden. Liro trok haar grenzen strak. Ingeleverd goud en diamant
werd gebruikt, zo bleek na de oorlog, om erecassettes voor de hoogste Duitse militaire onderscheidingen te vervaardigen. Op last van de Führer moesten die
cassettes uniek zijn en werden ze bekleed met goud en diamant.
Beide Liro-verordeningen golden Joodse personen. Joodse ondernemingen en onroerend goed waren met een speciale verordening van 12 maart 1941 al onteigend.
Bewindvoerders traden in de plaats van Joodse eigenaars. Foute Nederlanders namen bloeiende ondernemingen voor een spotprijs over. Deze prijs kwam in de boeken
te staan, zodat de eigenaar na de oorlog alleen het geadministreerde bedrag kon claimen, dat soms driemaal zo laag was als de werkelijke waarde. De meeste
eigenaars kwamen echter nooit terug. De roofbank Lippmann, Rosenthal & Co. bracht de geroofde effecten naar de beurs, omdat de echte Lippmann, Rosenthal & Co.
(Nieuwe Spiegelstraat) lid was van de vereniging voor de Effectenhandel (VvdE). VvdE-voorzitter Carel Overhoff wist dat het om roofgoed ging, maar gaf niettemin
toestemming voor de handel in geroofde effecten. De stukken uit voormalig Joods bezit waren goedkoper, omdat ze massaal in de handel waren gebracht en niet
iedereen ze wilde kopen. Ze konden besteld worden bij onder meer de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank. Relatief gezien heeft de Amsterdamsche Bank
een groot aantal staatsobligaties van Liro afgenomen.
Onder de Joden waren veel diamantairs. De Duitsers vreesden dat ze veel diamant zouden achterhouden. Daarom kregen naar Westerbork gedeporteerde diamantairs
de kans naar Amsterdam terug te keren. Tegen inlevering van diamant kregen ze een Sperrstempel, dat hen bis auf weiteres vrijwaarde van deportatie. Een
Sperrstempel kostte ongeveer 30.000 gulden aan diamant. Diamantairs konden ook een stempel aanvragen voor familieleden. Op 29 september 1943 werden nagenoeg
alle diamantairs opnieuw gearresteerd en verdwenen ze voorgoed. Hiervoor gebruikt Aalders de kwalificatie 'pervers'. Pijnlijk genoeg had de Nederlandse regering
in ballingschap geen enkel begrip voor dergelijke noodsprongen van de Joden. Ze wees er nadrukkelijk op dat alle transacties met de vijand verboden waren,
overeenkomstig het Besluit Rechtsverkeer in Oorlogstijd (A6) van 7 juni 1940. Wist de regering niet, wat de Joden meemaakten? Zo nee, dan maakte ze zich schuldig
aan hetzelfde legalisme waaraan veel ambtenaren zich bezoedelden.
Roof is van begin tot eind het verhaal van ongeremde hebzucht, botgevierd op een bijna weerloos land en een geheel weerloze Joodse bevolkingsgroep. Van het
geroofde Joodse goed keerde hoegenaamd niets terug.
Economische collaboratie:
Lees ook deze boekbesprekingen op Verzet.org (eigen collectie):
• Arthur Seyss-Inquart - Het leven een Duits onderkoning in Nederland (Neuman)
• De drie van Breda. Duitse oorlogsmisdadigers in Nederlandse gevangenschap, 1945-1989 (Hinke Piersma)
• Ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog (Conny Kristel)
• Roof. De ontvreemding van Joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog (Gerard Aalders)
• Berooid. De beroofde Joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945 (Gerard Aalders)
• Het Achterhuis. Het dagboek van Anne Frank
• De laatste zeven maanden. Vrouwen in het spoor van Anne Frank (Willy Lindwer)
• Settela (Aad Wagenaar)
• Onbekende Kinderen. De laatste trein uit Westerbork (Daphne Meijer)
• Krijgen zal ik je. Pijn en angst van een overlevende Jood (Karel Logher)
• Collaboratie en Verzet 1940 - 1945. Delen 1, 2 en 3 (Friedrich Weinreb)
• Het verstoorde leven. Dagboek van Etty Hillesum, 1941-1943 (Etty Hillesum)
• De tas van Eva. Een uniek dagboek van een Joodse heldin (Donald Speelman en Dick Schaap)
• Goethe in Dachau. Literatuur en werkelijkheid (Nico Rost)
• Boulevard des Misères. Het verhaal van doorgangskamp Westerbork (Jacob Boas)
• Concentratiekampen. Systeem en de praktijk in Nederland (C.J.F. Stuldreher en H.A.V.M. van Stekelenburg)
• Ondergang - De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945 (Jacques Presser)
• Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945 (Abel J. Herzberg)
• Studies over de Jodenvervolging (B. A. Sijes)
• Geschiedschrijving als opdracht. Abel Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong over de Jodenvervolging (Conny Kristel)
• Strepen aan de hemel (Gerhard L. Durlacher)
• Terugkeer. Antisemitisme in Nederland rond de bevrijding (Dienke Hondius)
• Na het kamp - Overlevenden en de strijd om herinnering (Jolande Withuis)
• U wordt door niemand verwacht. Nederlandse joden na kampen en onderduik (Michal Citroen)
• Om erger te voorkomen (Nanda van der Zee)
• Tegen beter weten in. Zelfbedrog en ontkenning in Nederlandse geschiedschrijving over Jodenvervolging (Ies Vuijsje)
• Na de ondergang. De herinnering aan de Jodenvervolging in Nederland 1945-1995 (Ido de Haan)
• Voorbij de verboden drempel - De Shoah in ons geschiedenisbeeld (H.W. von der Dunk)