Afbeelding hiernaast: Herinneringskamp Westerbork
De geschiedschrijving van de jodenvervolging tijdens de Duitse bezetting is in Nederland relatief vroeg op gang gekomen.
Abel Herzberg (1893-1989)
publiceerde zijn
Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945 al in 1950,
Jacques Presser (1899-1970) kreeg in datzelfde jaar de officiële opdracht tot het schrijven van zijn beroemd geworden
studie
Ondergang en
Loe De Jong (1914-2005) besteedde vanaf 1969 in
verschillende delen van
Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog
aandacht aan de moord op meer dan honderdduizend van de in Nederland woonachtige Joden.
Dat die geschiedenis zo vroegtijdig en op een zo hoogwaardig niveau is opgetekend, heeft ongetwijfeld te maken met het schrikbarend hoog aantal joden dat uit Nederland
naar de vernietigingskampen werd gedeporteerd. Zoals die geschiedenis , in vergelijking met de andere door de Duitsers bezette Europese landen, uitzonderlijk was, zo blijkt
ook de geschiedschrijving in meerdere opzichten uitzonderlijk te zijn.
In
Geschiedschrijving als opdracht geeft historica
Conny Kristel een biografisch beeld van de drie Nederlands-joodse auteurs die met hun werk het
naoorlogs beeld van de jodenvervolging hebben bepaald. Centraal staat de vraag hoe de persoonlijke lotgevallen van deze geschiedschrijvers tijdens de oorlogsjaren
in hun boeken hebben doorgewerkt.
Geschiedschrijving als opdracht is niet alleen een biografie op hun visie op de joodse geschiedenis en hun verhouding tot het zionisme.
Geschiedschrijving als opdracht is een zeer toegankelijk geschreven, fundamentele studie over de 'geschiedenis van de geschiedenis' en over de rol van biografische
en politiek-historische dilemma's - tijdens en na de oorlog - in de geschiedschrijving van de jodenvervolging in Nederland.