Izbica is een gemeente gelegen in het Krasnystaw district in de Poolse provincie Lublin. Izbica wordt in de geschiedenis voor het eerst
vernoemd in 1419. Het is echter pas vanaf 1750 dat de gemeente tot bloei komt wanneer Joden uit de nabij gelegen katholieke stad Tarnagora worden verdreven en zich vestigen in Izbica. In 1744
vaardigde Antoni Granowski, de eigenaar van Tarnagora, de 'de non tolerandis Judais' waardoor het de Joden formeel verboden werd te leven en handel te drijven binnen
de stadsmuren van de stad. Granowski verkreeg van Koning Augustus III van Saxon om in 1750 de stad Izbica op te richten, aan de andere oever van de rivier Wieprz, om er
de Joden uit zijn stad in onder te brengen en aldus Tarnagora 'Jodenvrij' te maken.
Van bij het begin werd Izbica exclusief bewoond door Joden. In het begin was het zelfs de kleinste gemeente van het hele land. In 1754 gaf Granowski de toelating
aan de Joden van Izbica om markten te houden. Op dat ogenblik telde Izbica 25 Joodse woningen, waaronder vijf herbergen en drie brouwerijen. Er is nie veel bekend over die eerste
periode maar tegen het einde van de 18de eeuw nam het inwonerstal gestaag toe. In 1781 woonden er reeds 72 Joden. Er was nog geen synagoge maar wel een gebedshuis. Tegen
1810 steeg het aantal Joden in Izbica tot 173. De eerste rabijn, Eliezer, wordt algemeen gezien als de organisator van de Joodse gemeenschap van I. Vermoedelijk was
er dan al een Joodse begraafplaats of werd ze door Eliezer in gebruik genomen. Wanneer Eliezer stervende was (1835) werd een houten synagoge opgericht die in 1855 werd
vervangen door een stenen.
Vanaf 1835 breidde de stad verder uit. Er werd een gepaveide weg aangelegd tussen Lublin en Zamosc. Vier jaar later vestigde Mordechai Josef Leiner, een beroemde
Chassidische auteur die onder meer Mei HaSiloah (een commentaar op de Torah) had geschreven, zich in Izbica. Chassidische pelgrims van over het ganse landen, trekken naar
Izbica en dragen bij tot de economische groei van Izbica, waar nieuwe herbergen en winkels werden gebouwd om hen onder te brengen. Mordechai Josef Leiner was een volgeling
van de meest beroemde Tzadikkim van die tijd - Simcha Binem, bijgenaamd de 'Heilige Jood van Przysucha', en van Menachem Mendel Morgenstern uit Kotzk. Hij was de stichter
van een grote en invloedrijke Chassidische dynastie, bekend als de Izbica-Radzyn dysnastie. De reputatie van Leiner leeft tot op vandaag verder. Na zijn dood in 1854
werd hij begraven op de begraafplaats van Isbizca en werd hij opgevolgd door zijn zoon Jacob die zijn Joodse raad in 1878 verhuisde naar Radzyn Podlaski. Een aantal
nazaten van de stichter van deze dynastie overleefden de holocaust en emigreerden naar Israël. De Raad en het centrum van de Izbica-Radzyn Chassidim werd opnieuw gereactiveerd
in Bnei Braq nabij Tel Aviv.
Oude synagoge van Izbica die tijdens de bezetting door de Duitse bezetter aanvankelijk als tijdelijk hospitaal werd gebruikt en later totaal werd verwoest
In 1860 was het inwonertal van Izbica reeds aangegroeid tot 1.450 bewoners, allen Joden, die in 117 houten huizen woonden. Tegenover de stenen synagoge op het
centrale marktplein was ook een Bet Midrash, een huis om te onderwijzen en te bidden, opgericht. Twintig jaar later was de bevolking reeds aangegroeid dot 2.047, onder hen
ook 30 christenen. Na de Januari Revolte van 1869 en de repressie verloor Izbica haar stadsrechten. Tarnogora, waar de Joden een eeuw vroeger waren verdreven, kwijnde
stilaan helemaal weg. In 1870 verplaatste het bestuur van Tarnogora haar zetel naar het bloeiende Izbica. In 1879 brak er een grote brand uit in Izbica waarbij ook
de synagoge in vlammen opging.
Deze ramp kon de groei van de gemeente niet stoppen, de synagoge werd snel weder opgebouwd dankzij de giften van haar inwoners, en
tegen 1910 woonden er reeds 3.400 mensen in Izbica, onder hen 176 niet-Joden. De laatstgenoemden waren meestal boeren die aan de buitenranden van de gemeente leefden.
De handel- en ambachtsarbeid bleef in Joodse handen. De ontwikkeling van Izbica duurde verder tot aan de Eerste Wereldoorlog. Tijdens WO I kwam Izbica vanaf 1915
onder Oostenrijks-Hongaarse bezetting. Izbica had veel te lijden onder de oorlog en een groot deel van de gemeente werd door de militaire operaties verwoest. Vele inwoners verlieten de stad en trokken naar elders.
In 1921 was het aantal inwoners van Izbica aangegroeid tot 3.085, waaronder 2.862 Joden (93% van de bevolking). In die tijd kwamen verscheidene politieke en sociale
organisaties van de grond. De jonge generatie van Izbica Joden begon zich te interesseren voor de politiek en verschillende partijen zagen er het licht onder meer
de Mizrachi(religieus Zionist), de Zionistische Organisatie en de socialistische Bund. De grootste partij in deze nog steeds erg traditionele gemeenschap
werd de Agudat Israel. Eveneens werden een aantal charitatieve instellingen opgericht zoals de Bikur Chocim (ziekenzorg) en de Linas HaCedek
(armenzorg).
Ondanks al deze veranderingen bleef Izbica toch een typisch Joodse sjtetl waar het leven van haar bewoners zich voornamelijk afspeelde rondom de
synagoge en haar rabbijn. Pas in 1931 zal er voor het eerst een moderne school worden geopend. Het onderwijs werd voorzien door de traditionele Talmoed-Torah, georganiseerd
door de Joodse gemeenschap en private chederim. Toen de eerste moderne school werd opgericht, werden de lessen gevolgd door Joodse meisjes en Christenen. De Joodse
jongens werden steeds naar de chederim gezonden. De taal die door de meeste Joden in Izbica werd gesproken was het jiddisch. Slechts een aantal families
die nauwe contacten onderhielden met de Polen, spraken zowel Pools als jiddisch. Tussen beide Wereldoorlogen werd door rabbijn Zwi Rabinowitz in Izbica een tweede
Chassidische Raad opgericht, die niet zo bekend werd als de eerste. Rabinowitz was een afstammeling van de familie Simcha Binem uit Przysucha. De locale orthodxe
fractie werd met strenge hand geleid door de Chassidische partizanen van de Tzadik uit Ger.
In zijn memoires beschrijft Thomas 'Toivi' Blatt, een van de weinige Joden van Izbica die later de deportatie en ook het vernietigingskamp van Sobibor
zal overleven, het vooroorlogse dorp als volgt: "In Izbica woonden ongeveer
3.600 Joden en twee honderd Christenen. De meeste inwoners waren arm en leefden in houten barakken; slechts enkelen, de rijken, woonden in stenen huizen. Drie
artesische pompen en enkele bronnen voorzagen het dorp van water. Er was geen electriciteit tot midden de jaren dertig. De Joden waren overwegend orthodox, maar progressieve
ideeën maakten opgang. De kaftan, baard, oorlokken (pajes), en keppeltje moesten stlaan wijken voor een meer Poolse of Westers gerichte kledij. Iedereen kende iedereen
in Izbica en de mensen spraken elkaar meestal aan met bijnamen. (..) Wij leefden vreedzaam samen met onze katholieke buren. Toegegeven, af en toe doken er anti-semitische
slogans op in het postkantoor zoals 'Joden naar Palestina' en 'Koop niet bij Joden', maar niemand die dit ernstig nam. Katholieke en Joodse schoolkinderen bleven
meestal op zichzelf. Ongeveer de helft van de studenten waren Joods en half-katholiek, alhoewel het dorp voor 95% Joods was, verkozen de kinderen uit de omliggende
dorpen om in Izbica het basisonderwijs te volgen." (Uit 'From the Ashes of Sobibor. A story of Survival' door Toivi Blatt uit 1997)