Met de verovering van het Westen, Frankrijk, België en Nederland, zal de roofzucht van de nazi's rechtevenredig toenemen. Grote kunstverzamelaars waren Adolf Hitler,
die nog in zijn jonge jaren een weinig succesvol aquarellenschilder was geweest, naast Hermann Göring -Der Dicke- zoals hij door de andere nazibonzen werd genoemd omwille
van zijn zwaarlijvigheid, en Dr. Alfred Rosenberg, de partij-ideoloog van de NSDAP, de partij van Hitler. Ook de Gestapo, met Reinhard Heydrich als belangrijkste
geïnteresseerde, maakte jacht op de Europese kunstschatten en de competitie onder elkaar om de beste, waardevolste of de meeste werken bij mekaar te krijgen of zeldzame
meesterwerken af te snoepen, kende noch schaamte noch grenzen. Vooral de 'vijanden' van het Derde Rijk werden een makkelijke prooi voor deze roofzuchtige
nazi's. Met het Führerbevel van 5 juli 1940 werden de bezittingen van Joden en vrijmetselaars 'herrenlos' (niemands eigendom) verklaard en aangeslagen.
Adolf Hitler had het plan om in het Oostenrijkse Linz, waar hij zijn jeugdjaren had doorgebracht, een Führermuseum te bouwen en had daarvoor reeds voor het begin van de Tweede
Wereldoorlog, op 26 juni 1939 Dr. Hans Posse belast met de bouw van dit museum. Posse werd benoemd tot direceur van Sonderauftrag Linz en Hitlers architect, Albert Speer,
werd belast met het ontwerp ervan. Na de dood van Posse in 1942 werd hij opgevolgd door Dr. Hermann Voss. Een andere kunstjager en -adviseur in kunstaangelegenheden
in dienst van de Führer was Heinrich Hoffmann, Hitlers officiële fotograaf. Eén van de eerste collecties die Hitler wist te verwerven als oorlogsbuit, was de beroemde
kunstcollectie van Alphonse de Rothschild te Wenen die, na de annexatie (Anschluß) van Oostenrijk bij het Derde Rijk, onmiddellijk werd geconfisqueerd.
De 'officiële' roof van nationaal kunstbezit werd georganiseerd door Alfred Rosenberg die daartoe de ERR (Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg)
installeerde. De ERR had vele onderafdelingen in alle bezette gebieden en bestreek verschillende kunstvormen. Zo bestonden er afdelingen zoals de Sonderstab Bildende
Kunst (beeldende kunsten), een Sonderstab Kirchen (kerkelijke kunst), een Sonderstab Musik (muziek) en een Sonderstab Bibliotheken (literatuur). ERR Ausenstellen
bevonden zich in Amsterdam, Brussel, Parijs, Belgrado, Riga, Dorpat, Reval, Vilna, Minsk, Gorki, Smolensk, Kiev, Charkow, Dnjepropetrowsk, Simferopol en
Hohenschwangau.
Afb. links: Hermann Göring met Dr. Bruno Lohse. Lohse
was een jonge kunsthistoricus die Göring adviseerde bij het verwerven van kunstschatten
Vanaf 1941 werd de ERR vanuit Berlijn geleid door Gerhard Utikal die Georg Ebert was opgevolgd. De ERR werd enkele jaren later op vraag van
Martin Bormann, de secretaris van Hitler, in april 1943 opgeheven 'omdat haar functie vervuld was'. Op 21 april 1943 schrijft Bormann aan Rosenberg:
"Der Führer wünscht, dass die durch ihren Stab erfassten Kunstobjekte so bald wie möglich den Experten des Führers [Dr. Voss en zijn medewerkers] zur
weiteren Behandlung übergeben werden ..."
De kunstroof werd voornamelijk georganiseerd vanuit Frankrijk. Het Musée du Jeu de Paume te Parijs werd als
verzamelcentrum ingericht waar kunstwerken, voornamelijk geroofd uit Joods bezit, werden samengebracht. Tot juli 1944 passeerden er meer dan 21.000 kunstwerken, die eerst werden geregistreerd en van daar uit verder verspreid werden over Duitse collecties.
Uiteraard kwam de door de nazi's zogeheten Entartete Kunst (ontaarde kunst) niet in aanmerking. Helaas werd veel daarvan vernietigd maar een groot deel
van die 'ontaarde' kunstwerken werden zonder veel gewetensproblemen verder doorverkocht of gesmokkeld naar neutrale landen zoals Spanje, Portugal, Zweden en Zwitserland.
Tot op het ogenblik dat de Verenigde Staten in de oorlog werden betrokken (december 1941), werd getracht veel van deze ongewenste kunstwerken te verslijten aan
kunstverzamelaars in Noord- en Zuid-Amerika. Zo bleek bijvoorbeeld dat bij een controle in de Portugese haven van Lissabon, het Amerikaanse schip de Excalibur meer
dan 500 schilderijen aan boord had waaronder 'ontaarde' werken van Renoir, Cezanne, Gauguin, Degas, Manet, Monet en Pablo Picasso.