Vooral Hermann Göring was berucht voor zijn onverzadigbare verzamelwoede. Kunst was voor Göring één van zijn grootste passies. Vanaf 1940 laat hij heel Europa door zijn kunstexperts
afschuimen om zijn landgoed Karinhall vol te stouwen met kunstwerken uit de bezette gebieden en werd het omgetoverd tot een heus privé museum. De muren van Karinhall
waren bedekt met oude meesters, drie tot vier rijen boven elkaar. Het landhuis bulkte weldra van de geroofde kunstschatten en Göring legde andere opslagplaatsen aan onder meer
in Mauterndorf, Veldenstein en in zijn presidentiële paleis. Sommige kunstwerken werden gewoon gestolen, andere werden voor belachelijke prijzen 'gekocht' van Joodse
families die enkel de keuze hadden tussen (aanvankelijk) emigreren of opgesloten te worden in een concentratiekamp. Wagonladingen vol Rembrandts, Rubensen, Da Vinci's en de grootste werken
van de negentiende-eeuws impressionisten met een gezamenlijke waarden van honderden miljoenen dollar werden door Göring aangeslagen en opgeslagen.
De protserige Göring liep in zijn Germaanse kasteel vaak rond met een speer en gekleed in sleepmantels en zijden bloezen. Aan zijn vingers droeg hij zes tot acht
ringen, vaak bezet met loepzuivere diamanten. "Zijn hebzucht kende geen grenzen, zijn honger naar juwelen, goud en zilver was onvoorstelbaar", vertelde
Hjalmar Schacht na de oorlog. Schacht was Hitlers president-directeur van de Reichsbank en minister van Economische Zaken. Göring liet een hele reeks
nieuwe uniformen en medailles voor zichzelf ontwerpen bestemd voor openbare optredens en zijn militaire staf was ingelegd met goud, zilver en edelstenen.
Ulrich von Hassel (één van de samenzweerders van de mislukte aanslag op Hitler van 20 juli 1944) in 1937 over Göring:
"Göring biedt een groteske aanblik. 's Ochtends in een wambuis met bolle, witte hemdsmouwen, overdag herhaaldelijk van gewaad wisselend, 's avonds aan
tafel in een blauwe of violette zijden kimono met met bont afgezette pantoffels. Reeds 's ochtends een gouden dolk opzij, die herhaaldelijk verwisseld wordt, in de
hals een agrafe met eveneens wisselende edelstenen, om het dikke lichaam een brede, met vele stenen bezette riem, om nog maar te zwijgen van de pracht van het grote
aantal ringen."
Tegen het einde van de oorlog had Göring meer dan 1.500 waardevolle en zeldzame kunstwerken in zijn huizen en kastelen opgeslagen. In zijn collectie bevonden zich
werken van onder meer Rembrandt, Velasquez, Rubens, Chardin, Frans Hals, Antoon Van Dijck, Jan Van Eyck, Boucher, David, Goya en van de zestiende eeuwse Duitse schilders
Lucas Cranach de Oude en de Jonge, waarvan de laatst genoemden tot zijn persoonlijke favoriete schilders behoorden. Zijn collectie in Karinhall werd zorgvuldig
bijgehouden en gecatalogiseerd door zijn bibliothecaris Andreas Hofer en zijn secretaresse Gisela Limberger. Alle werken werden gefotografeerd en vulden 217 foto albums.
De Amerikanen die na de oorlog in het bezit kwamen van deze albums, zijn er tot op de dag van vandaag mee bezig om uit te zoeken uit welke landen deze werken werden
gestolen en wie de oorspronkelijke bezitters waren.
Afb. links: Eén van de zalen van Görings
Karinhall. Göring had een grote voorliefde voor tapijten en gobelins die hij vooral uit Frankrijk liet overbrengen waar het Musée du Jeu de Paume als verzamelcentrum werd
ingericht en waar de kunstwerken geroofd uit Joods bezit werden samengebracht.
De wedijver onder de kunstjagers was enorm. In een geheime instructie van 5 november 1940 had Göring bepaald hoe de geroofde kunstwerken uit Joods bezit moesten verdeeld
worden. In het zo typisch door de nazi's omfloerst taalgebruik om hun criminele acties te maskeren, heette de roof in officiële termen in Sicherherstellung
(in veiligheid brengen). Uiteraard was de eerste die zijn keuze mocht maken uit de geroofde kunstschatten de Führer Adolf Hitler zelf. Daarna was het de beurt aan Göring,
die overigens als de kans zich voordeed het niet naliet om stukken die voor de Führer bestemd waren, ze voor zijn neus weg te kapen, en tot slot mocht Rosenberg
en zijn ERR zijn keuze maken. Wat overbleef verdween in Duitse musea of werd naar het buitenland gesmokkeld of vervoerd om daar te worden doorverkocht.
Hierna volgt een geschreven notitie van Göring van 11 februari 1941 met een aanwijzing waar al de gestolen werken naar toe moeten, Document NG 2426.
Op de volgende bladzijde staat een instructie van Göring van 1 mei 1941 waarin hij de verschillende onderdelen van partij, staat en weermacht oproept om alle medewerking
te verlenen aan de roof van kunstschatten. Hierin wordt ook Gerhard Utikal vernoemd, de rechterhand van Rosenberg, die in november 1941 een van rassenwaan doordringt
artikel schreef, waarin hij de motieven voor de confiscatie van Joodse kunst door het Derde Rijk uiteen zette. Volgens Utikal vielen de Joden niet onder de Haagse Conventie, die onder meer
bepaald dat privé-bezit niet mag worden aangeslagen. In zijn simplistische redenering hadden de Joden zichzelf 'door hun wangedrag' buiten de wet geplaatst:
"Es gibt im Völkerrecht den anerkannten Grundsatz, daß im Kriege mit den gleichen Mitteln und Anschauungen operiert und Vergeltung geübt werden darf, die der Gegner
zuerst benutzt hat." Volgens Utikal hadden Joodse bezitters de kunstschatten voor zichzelf gehouden en had niemand er aldus ooit van kunnen genieten. Dat was
volgens Utikal een misdaad die enkel met gelijke munt moest worden terugbetaald [sic].
Vertaling van de notities hieronder afgebeeld:
1) Alle met H gemerkte schilderijen voor Führer (1 kist A.H. is voor mij)
2) Alle met G gemerkte voor mij, bovendien wat niet gemerkt is en de kist A.H.
3) Alle zwarte extra-kisten (Rothschild) zijn bestemd voor de Führer (bovendien sleutel zwarte kisten!!!)
Mijn spullen -schilderijen, meubelen, zilver, gobelins - komen in mijn kamers.
Probeer voor 8 dagen lokaal te krijgen waar de boel voor de Führer kan worden bewaard tot er om gevraagd wordt.