Op de avond van de 7de mei 1940 werd procureur-generaal Pholien op de hoogte gebracht van de nakende invasie van de Duitsers. Camille Pholien bracht de belangrijkste
betrokkenen die de maatregelen moesten uitvoeren tegen verdachte buitenlanders telefonisch op de hoogte. Het moest nu allemaal snel gebeuren! Op 8 mei vaardigde Pholien
nieuwe instructies uit aan de betrokken gerechtelijke en politiediensten om daadwerkelijk over te gaan tot de arrestatie van de verdachten die op de lijsten voorkwamen.
Diezelfde dag nog werd het ontwerpbesluit van minister Janson goedgekeurd dat de politiediensten machtigde om "alle onderdanen te interneren
van mogendheden waarmee België te oorlog zou moeten aangaan."
De volgende dag, 9 mei 1940, stelde de Generale Staf een nieuwe richtlijn (D/6961) op om de internering van vijandige onderdanen voor te bereiden. Aan de kantons van
de Rijkswacht over het ganse grondgebied werden affiches uitgedeeld die in alle gemeenten van het land moesten worden opgehangen zodra de vijandelijkheden zouden
uitbreken. Op die affiches stond het besluit van de minister van Justitie afgedrukt met het bevel om "alle vijandelijke onderdanen van het
mannelijke geslacht, geboren tussen 1 januari 1881 en 31 december 1923, begin- en einddatum inbegrepen, zich binnen twee uur vanaf het aanplakken de affiches, aan te
melden op het gemeentehuis van hun woonplaats of de gemeente waar ze zich bevinden."
Diezelfde avond van de 9de mei 1940 kreeg de Generale Staf de melding dat Duitsland de volgende dag België zou binnenvallen. In een buitengewone ministerraad werd
kort na middernacht besloten om over te gaan tot actie. Paul-Emile Janson ontbood auditeur-generaal Walter Ganshof van der Meersch bij zich, en gaf hem het bevel om
onmiddellijk over te gaan tot de aanhouding van de 'verdachten'. Ganshof Van der Meersch zou na de oorlog de kop van jut worden van extreem-rechts als de man die de
Vlaams-nationalisten in mei 1940 liet oppakken. Onterecht zou later blijken want in werkelijkheid voerde hij gewoon het bevel van Janson en zijn ministerraad uit...
In de ochtend van de 10de mei, de dag van de invasie van nazi-Duitsland, werd door Janson, van der Meersch en
inspecteur van de Staatsveiligheid Louwage een telegram opgesteld, dat tevens werd goedgekeurd door de administrateur van de Staatsveiligeheid Robert de Foy
en in zijn naam werd verzonden naar de betrokken politiediensten en rijkswacht. De inhoud (zie afb. hierboven) luidde: "Bede te doen aanhouden alle Belgische
of vreemde onderdanen verdacht of gevaarlijk ten opzichte van de veiligheid van de krijgsverrichtingen en deze op te sluiten in een strafinrichting of andere instelling
die kan bewaakt worden. Stop. Bede mij lijsten en individuele verslagen te doen geworden. Get. Administrateur van de Staasveiligheid De Foy."
Terzelfdertijd werden ook de affiches aangeplakt in de gemeenten waarbij alle mannelijke vreemdelingen tussen 16 en 59 jaar oud zich moesten aanmelden in het gemeentehuis van hun
woonplaats of waar ze zich op dat ogenblik bevonden. Zij diendenden proviand voor 48 uur en dekens mee te brengen en mochten niet van het gemeetehuis vertrekken
zonder toestemming. Op deze affiches stond bovendien vermeld : "Iedereen wordt verzocht om burgers van vijandelijke mogendheden die onder de maatregelen van
dit besluit vallen, onmiddellijk bij de politi en de rijkswacht of de militaire overheid te signaleren." Met dit laatste citaat, en nog aangemoedigd door de
parachutisten- en spionitiskoorts die al een tijd doorheen België spookte, zette de Generale Staf expliciet de deur wagenwijd open voor verklikking door burgers
gevolgd door persoonlijke afrekeningen die onvermijdelijk in bepaalde gevallen wel moest leiden naar vele willekeurige en totaal ongerechtvaardigde arrestaties...