Tegenstanders van de arrestaties van de verdachte 'vijandige Belgen' van mei 1940 voeren de - volgens hen onterechte en anti-Vlaamse - arrestaties dikwijls aan
als argument en oorzaak waarom zovele Vlamingen, Walen en Brusselaars de collaboratie met de Duitse bezetter aangingen. Het blijft evenwel een vaststaand feit dat
velen van hen die toen preventief op bevel van de Belgische regering werden gearresteerd, inderdaad met de Duitsers zullen collaboreren, maar dat ook zonder dat
zonder die arrestaties en deportaties, zij evengoed gecollaboreerd zouden hebben. Velen van hen onderhielden, reeds lang voor de oorlog begon, nauwe contacten met
de Duitsers. Een aantal opereerden rechtstreeks voor de Abwehr (Duitse contraspionage). Partijen en bewegingen zoals
VNV, Volkverwering, Verdinaso en REX incasseerden gretig en in het geheim financiële en materiële hulp uit nazi-Duitsland en/of Mussolini's fascistische Italië
in de jaren voorafgaand aan de bezetting.
Anderen weer hadden reeds een trieste reputatie als activist en collaborateur opgebouwd tijdens de Eerste Wereldoorlog en waren daar al voor veroordeeld geweest
(Dr. Borms bv.). Zelfs VNV-leider Staf de Clercq had tijdens de inval van de Duitsers de Vlaamse soldaten opgeroepen om niet op de Duitsers te schieten. Het blijft
overigens nog steeds onbegrijpelijk waarom Staf de Clercq aanvankelijk wel werd gearresteerd maar na één telefoontje al weer vrij kwam en anderzijds Joris Van Severen
wèl werd opgepakt en afgevoerd, niettegenstaande Staf de Clercq via zijn M.O. reeds vroeg zijn -collaborerende- intenties intern (en ook bij de Staatsveiligheid)
bekend waren, en Joris Van Severen op dat ogenblik een veel minder groot gevaar scheen voor de binnenlandse veiligheid.
Hun kampervaringen tijdens hun internering in de zuid-franse interneringskampen werden na hun vrijlating door deze toekomstige collaborateurs uitvoerig beschreven waarbij
vooral laakbaar blijft hoe zij later hun verhouding tot hun medegevangen Joden omschreven, waarbij ze zich zonder gêne in de goorste sterotiepe vooroordelen
uiting gaven aan hun rabiaat antisemitisme. Vele van deze toekomstige collaborateurs, hielden er een uitgesproken anti-semitische en pro-nationaal-socialistische
mening op na, en zaten in de Franse kampen samen opgesloten met Joden, Spanjaarden, Italiaanse antifascisten, Duitse spionnen enz. Hun Joodse medegevangen konden
maar op weinig medeleven rekenen van hun Vlaams-nationale lotgenoten, integendeel. Na hun vrijlating en terugkeer in België publiceerden vele collaborateurs
- meestal in opdracht van en betaald door de P.A. (Duitse Propaganda Abteilung) - hun ervaringen in collaborerende kranten, boeken en periodieken neer waarbij
zij meedogenloos hard uithaalden naar hun Joodse medegevangenen. Die Joode lotgenoten van toen, die in tegenstelling tot zijzelf die vrij snel weer op vrije voeten
kwamen, in de kampen achter moesten bleven en nog een lange lijdensweg doorheen de concentratiekampen tegemoet gingen.
In zijn boek 'Vreemdelingen in een Wereldstad' (zie bronnen) van historicus Lievens Saerens, beschrijft de auteur hoe Antoon Mermans, René Lagrou, Ward Hermans en
Van den Berghe uithaalden naar de Joden in de Franse interneringskampen. De Westvlaamse VNV'r André Van den Berghe wondt er geen doekjes om: "Het joodse
gespuis, dat ons vergezelde, kwam de toestand nog verergeren.", en: "Zowat alles van het Joodse doen en laten leidde tot rancune en stond
zogezegd in schril contrast met het eigen leed. Joden hadden niet alleen meer eten, maar kregen ook antwoord op hun brieven, een luxe die de Belgische 'verdachten'
niet zouden hebben gekend: "Nooit zouden wij antwoord ontvangen en, bij elk appèl, was het buitengewoon hard telkens de namen van alle denkbare joden horen afroepen,
voor dewelk een brief toegekomen was, doch NOOIT één enkele maal van één der onzen te vernemen.'
Afb. links: In het kamp van Saint-Cyprien
zaten naast Spaanse Republikeinen, vele Joden, Duitsers, Oostenrijker en Italianen vast. Tevens ook een 150-tal Belgen, communisten, Rexisten en Vlaams-nationalisten
zoals Dr. August Borms, René Lagrou, Pol Le Roy, Clemens de Landtsheer, Raf Demoen e.a.
In Saint-Cyprien werden ook enkele leden van het vooroorlogse IJzerbedevaartcomité opgesloten. Zo onder meer de secretaris Clemens de Landtsheer
(VNV-lid en oorlogsburgemeester van Kaaskerke) en Raf Demoen. Raf Demoen beschreef na zijn terugkeer in een brief aan Herman Borms, die verhalen
verzamelde over het wedervaren van de 'verdachten van mei' om ze te gebruiken in de propaganda tegen de Fransen en de Engelsen: "In het kamp van
Saint-Cyprien waren wij met duizenden en van alle nationaliteiten, die uit alle hoeken van België, Nederland en Frankrijk opgejaagd waren. Gezien wij
daar opgesloten waren in met prikkeldraad omheinde blokken, konden wij soms in aanraking komen met 'bewoners' van andere blokken; alzo hebben wij daar na enkele dagen
aangetroffen: Dr. August Borms, André 'Dries' Van den Berghe, René Lagrou, Antoon Mermans, Pol Leroy en anderen."
Adriaan Martens (activist)en Edgar Lehembre (VNV'r en NSJV-leider) die beide geneesheren waren verhaalden in het boek van Anton Mermans over hun wedervaren en schreven
bijzonder minachtend over de eetgewoonten van de Joden: "Een laag joden en Polen beneden of boven U was een echt geschenk van de duivel:
die maakten met hun aankopen de doodarme Vlamingen jaloers, ze gaven hun geld aan look en ajuin met het onvermijdelijk gevolg dat de darmgassen van die heren zelfs
door de stormwinden nooit volledig werden meegevoerd."
René Lagrou, die na zijn vrijlating de Vlaamse SS vervoegde en als
SS-Hauptsturmführer er de eerste leider van werd, schreef in zijn door de Duitse SS gesubsidieerde memoires ('Wij Verdachten') hoe volgens hem "... de Joden het in Saint-Cyprien
'het best naar hun zin hadden, meer nog: velen hadden het 'nooit beter' gehad en vonden in het nietsdoen een bijna volkomen geluk". Volgens Lagrou ".. palmden ze de comfortabelste
plaatsen in, verraadden voor wat eten - een reepje chocolade, een extra uit de keuken, of enkele sigaretten - voortdurend hun niet-joodse medegevangenen, waren ze steeds uit
op 'zaakies' en besteelden lijken. Enig fatsoen was aan hen niet besteed. Oude Joden 'met een lodderig zwijmelende hangbuik', 'laveerden' 'gans naakt' tussen de barakken, terwijl
anderen zich 'in de meest afstotelijke houdingen' wasten. Homoseksualiteit en 'zelfbevlekking' - 'ook in aanwezigheid van derden' - waren schering en inslag en de meest elementaire regels
van hygiëne werden in de wind geslagen: 'ge hebt daar die ellendige Joden die zich volvreten, die de godganse dag eten, die nooit moegegeten en armgekocht zijn (...). Zij slaan
niet eens de kruimels uit hun baard. Hun stank wasemt hun overdaad uit: 's nachts in de barak rieken wij hun geld, waarmee zij in overvloed look en ajuinen hebben gekocht. En wij ruiken hun
etensafval, dat naast hen in het stro ligt te rotten.'
Dr. August Borms die vijf weken in Saint-Cyprien vastzat, haalde na zijn vrijlating eveneens scherp uit naar zijn Joodse medegevangenen die hij ervan
beschuldigde 'dat de Joden de laatste frank aan hun niet-joodse gevangenen ontnamen': "Er waren te Saint-Cyprien ook Joden die zich van hun
slechte zijde lieten kennen en al dadelijk een hongerbeurs hadden geopend, een gesjacher met levensmiddelen." Borms stapte -net zoals hij ook tijdens de Eerste
Wereldoorlog deed - compromisloos de collaboratie in en werd, zowel voor de Duitsers als voor de collaborerende Vlaams-nationalisten, het symbool van verzet tegen het
zogenaamde 'vijandige België'.
In Le Vernet zaten ook verschillende kopstukken en aanstaande collaborateurs vast. Zo bijvoorbeeld Edgar Lehembre, die o.m. actief was in Volksverwering en nadien
de leider van het N.S.J.V. (Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen) zal worden. In eenzelfde barak, barak nummer 37, zaten een groot deel Antwerpse Joden met hun
rabbijn opgesloten samen met René Lambrichts en Gustaaf Vanniesbecq, leiders van het antisemitische Volksverwering. Van René Lambrichts hadden Franse soldaten zijn
hoorapparaat afgenomen omdat zij dit dit apparaat aanzagen als een geheime zender!. Ook Ward Hermans zat in Le Vernet vast. Hermans vervoegde na zijn vrijlating
de Vlaamse SS (Alg. SS-Vlaanderen) en gaf ook een blad uit, de SS-Man waarvan hij de hoofdredacteur was.
De 10de mei '40 werd ook Reimond Tollenaere aangehouden in zijn woonst te Roeselaere. Tollenaere was de gedoodverfde opvolger van Staf de Clercq van het
VNV en al voor de oorlog Duitsgezind. Hij was tevens actief in Staf de Clercqs M.O. (Militaire Organisatie) die de militaire collaboratie voorbereidde met de nazi's.
Vanuit de gevangenis van Roeselare werd Tollenaere via Kortrijk naar Brugge overgebracht. Met enkele Duitsers en Rexisten werd hij daarna opgesloten in de gevangenis
van Ieper. Op 13 (of 14) mei werd hij met een groep in drie autobussen naar de grens met Frankrijk gevoerd waar de groep 'verdachten' aan de Frans gendarmerie werd
overgedragen. In Calais werd Tollenaere samen met de Dinaso Max Buyck (1898-1952), die later actief werd in DeVlag en voor de Sipo-SD werkte, uit
de groep gehaald en opgesloten in de gevangenis van Saint-Malo. Hierdoor onsnapten ze beiden aan internering in de zuid-franse kampen. Door het snelle oprukken van
de Duitsers doorheen Frankrijk werden alle vluchtelingen en Fransen ingehaald. Op 19 juni 1940 werd het duo uit hun cel in Saint-Malo door de nazi's bevrijd.
Drie dagen later was Tollenaere weer thuis en paraat om zijn rol in de militaire collaboratie op te nemen.
Tollenaere, die commandant was van de Zwarte Brigade, nam op 6 augustus 1941 dienst in het Vlaams Legioen, een zoveelste vreemdelingenlegioen ingedeeld bij de
Waffen-SS en toog na zijn opleiding in Debica via Arys op 10 november 1941 naar het Oostfront om tegen de Geallieerden te kampen. Na twee maanden aan de Frontlinie
in Tarassowa ongeduldig zijn beurt als 'Vlaams-nationaal kanonnenvlees' te hebben afgewacht, nam hij eindelijk op 7 januari 1942 voor het eerst (en tegelijk ook
het laatst) rechtstreeks aan de schermutselingen deel. Hij zal het gevecht geen twee weken overleven. Op 22 januari 1942 werd hij te Kopcy door 'friendly fire' gedood.
Slecht gericht artillerievuur door de bevriende Spaanse 'Blauwe Divisie' werd hem fataal. Niet bepaald 'de heldendood' waarop het collaborerende thuisfront had gehoopt
en Tollenaere zèlf wellicht nog het minst van al.
Het Kriegstagebuch van de Freiwilligen-Legion 'Flandern' maakte dezelfde dag nog melding van zijn dood: "Der Flämische Führer, SS-Untersturmführer
Tollenaere, der sich in der Stellung des vorgeschobeben Beobachters befindet, fällt am heutigen Tage durch einen Einschlag der eigenen Artillerie in die
Beochbachtungstelle. Er war soffort tot. SS-Untersturmführer Tollenaere, der in seiner Heimat Kommandant-General der Schwarzen Brigade war, erfreute sich besonderer
Beliebheit bei den Männern; sein Tot hat einen großen Eindruck auf sie gemacht." Zijn trouw aan het VNV, aan Den Leider Staf de Clercq en aan de Führer Adolf Hitler waren hem vroegtijdig fataal geworden. Op 8 februari 1942 kreeg Tollenaere
een grote herdenking te Brussel onder het motto: "Hij viel voor Führer en Vlaanderen". De mythologisering van Tollenaere
kon beginnen en... duurt tot op heden voort in Vlaams-nationale rechts-extremistische kringen[sic].