Eén van de 21 slachtoffers van het Bloedbad van Abbeville was de communistische leider en populaire gemeenteraadlid van Sint-Gillis, de toen veertigjarige
Lucien Monami. Direct na de Bevrijding dienden op 9 september 1945 de weduwe en de zoon van Monami een pensioenaanvraag in bij het Belgisch
ministerie. Omdat het hier om een weduwepensioen ging, moest uiteraard de schuldige worden gevonden voor de dood van Lucien Monami die vermoord werd door
Franse soldaten op 20 mei 1940. Deze op het eerste gezicht eenvoudige aanvraag ontaarde spoedig in een schier eindeloos juridisch gevecht.
Veertien jaar later(!) wordt op 13 juli 1959 de eis van de nabestaanden van Monami in eerste aanleg verworpen. Op 29 oktober 1959 wordt de pensioenaanvraag
ook in hoger beoep afgewezen. Op 17 mei 1960 verwerpt de Hoge Commissie van Beroep inzake vergoeding van burgerlijke slachtoffers van de oorlog 1940-1945 andermaal
de eis van de familie Monami. Het proces komt voor de Raad van State. Op 10 april 1962, bijna tweëentwintig jaar na de dramatische gebeurtenissen in Abbeville,
komt de Raad van State tot een definitieve uitspraak. De RvS vernietigt alle beslissingen die in het nadeel van de familie Monami werden genomen. Als gevolg van deze
uitspraak kunnen de weduwe en de zoon van Lucien Monami al hun aanspraken als burgerlijk oorlogsslachtoffer op een herstelpensioen laten gelden.
In het afschrift van het vonnis blijkt duidelijk dat de rechter oordeelde dat de Belgische staat, volgens de besluitwet van 12 oktober 1918, inderdaad gemachtigd was
om de gepaste veiligheidsmaatregelen te nemen, niet alleen ten aanzien van vreemdelingen, maar ook 'ten opzichte van Belgen die geen vaste woonplaats hebben in België
of die door hun betrekkingen met de vijand verdacht zijn'. Met andere woorden, de aanhouding en internering van de verdachten van mei 1940 was inderdaad volledig
conform de wet. Maar de RvS oordeelde dat dit de uitvoerders van de besluitwet van 1918 'niet ontsloeg van de verantwoordelijkeheid van de haar toevertrouwde personen'.
Volgens de RvS was het een bewezen feit dat de Belgische Regering duidelijk 'haar boekje te buiten was gegaan', en dat vanaf het ogenblik dat de verdachten van mei '40
op transport over de grens werden gezet naar Frankrijk, zij door deze beslissing alle controle was verloren over de haar door de besluitwet van 1918
'toevertrouwde personen'.
Nog merkwaardiger is, dat van alle ongeveer 10.000 'weggevoerden van mei 1940' er maar één gerechtelijke procedure werd aangespannen die tot een definitieve èn
positieve uitspraak voor de nabestaanden leidde. Uiteraard hadden de duizenden gedeporteerde Joden uit België naar Frankrijk, waarvan amper 6% de Belgische
nationaliteit bezaten, maar moeilijk aanspraken op schadevergoeding tav de Belgische staat kunnen laten gelden. Feit blijft dat door dit vonnis ten voordele van
de familie Monami, de Belgische staat op zijn minst moreel verantwoordelijk blijft voor wat er met haar onderdanen gebeurde vanaf het ogenblik dat
zij uit België werden weg gedeporteerd. De uitvoerders van de besluitwet hadden de gevolgen voor de slachtoffers van deze beslissing die tot deportatie leidde,
totaal verkeerd had ingeschat met de gekende fatale afloop voor de 5.765 Joden uit België die later vermoord werden in Auschwitz.
Door dit opmerkelijke historische arrest werd expliciet de medeverantwoordelijkheid van de Belgische Staat toegegeven en dat als
rechtstreeks gevolg van de veiligheidsmaatregelen die in mei 1940 geleid hadden tot de wegvoering van verdachte Belgen en buitenlanders. Het Bloedbad van Abbeville
zou niet plaatsgevonden hebben en de 21 vermoorden zouden alvast niet daar en niet toen zo'n zinloze weerzinwekkende dood tegemoet zijn gegaan. De Belgen en niet-Belgen
zouden niet de ellende van de kampen in Frankrijk hebben moeten doormaken. Het zou de Joden van- èn diegenen die afkomstig uit België waren, zeker niet voor de
gaskamers van Auschwitz hebben behoed, want ook vanuit België vertrokken vanaf de zomer van 1942 de treinkonvooien naar Auschwitz, eerst voor de buitenlandse Joden
en later ook voor de Belgische Joden. Maar het zou tenminste de schijn hebben hooggehouden dat de Belgische Staat inderdaad bekommerd was voor alle burgers die
op haar grondgebied verbleven en haar verantwoordelijkheid voor de veiligheid van haar onderdanen tot het einde toe zou verdedigd hebben in zoverre dat in oorlogstijd
mogelijk was.
Door de inderdaad vele zinloze en willekeurige aanhoudingen en deportaties naar Frankrijk verloren duizenden mensen alle hoop op een voorspoedige afloop en liepen
een zekere dood tegemoet zonder dat nog iemand voor hen zou opkomen, behalve dan verzetsbewegingen en ontelbare individuele personen van alle strekkingen en
overtuigingen die zonder het minste eigenbelang, duizenden Europese Joden en andere minderheden hielpen en lieten onderduiken. Zij hadden allen slechts één ding, één
motief gemeenschappelijk hadden namelijk: dat elke mens op aarde evenwaardige rechten heeft op veiligheid en gelijke humanistische behandeling, ongeacht afkomst,
nationaliteit, religie, politieke of sexuele voorkeur.
Hugo Van Minnebruggen
Antwerpen, 14 december 2007