|
|
|
Nazi-Duitsland en de Joden. Delen 1 en 2 (Saul Friedländer) |
|
|
|
|
Wednesday 02 January 2008 |
 |
Titel Nazi-Duitsland en de Joden. Delen 1 en 2
Orig. Nazi Germany and the Jews © Harpercollins Publishers New York, 1997 (1) and 2007 (2)
Auteur Saul Friedländer
Uitgeverij © Nieuw Amsterdam Uitgevers / Uitgeverij Lannoo; 2007; 861 bladzijden
ISBN 978 90 782 3003 8
|
Synopsis
Nazi-Duitsland en de Joden
Deel 1 De jaren van vervolging 1933-1939
Deel 2 De jaren van vernietiging 1939-1945
Met het tweede deel van Nazi-Duitsland en de Joden heeft Saul Friedländer zijn magnum opus over de vervolging en de vernietiging van de joden in het door de
nazi's bezette Europa voltooid. Samen met het eerste deel verschijnt het nu in één band.
In dit standaardwerk over de meest schokkende periode in de moderne geschiedenis verklaart de prominente Israëlische historicus Saul Friedländer hoe Duitsland, een van
de economisch en cultureel meest ontwikkelde landen ter wereld, zich tijdens de Tweede Wereldoorlog schuldig kon maken aan genocide op de Europese Joden.
In het eerste deel van Nazi-Duitsland en de Joden geeft Friedländer een meesterlijke synthese van vrijwel de gehele literatuur over de Jodenvervolging
in Duitsland van 1933-1939. Als geen ander is hij erin geslaagd om in een vloeiende, meeslepende stijl te laten zien hoe gecompliceerd de geschiedenis van de
Jodenvervolging is. Friedländer meent niet dat het Duitse volk behept was met een op fysieke eliminatie gericht antisemitisme. Wél toont Friedländer aan dat de aanwezigheid
van traditioneel antisemitisme en onverschilligheid jegens het lot der Joden ertoe hebben bijgedragen dat de nazi's de Euorpese Joden op zo'n ongekende schaal
konden vermoorden.
In het tweede deel van het boek wordt de meest schrijnende episode uit de twintigste-eeuwse geschiedenis beschreven en geïnterpreteerd. De uitvoering van de
Duitse vernietigingspolitiek en -maatregelen steunde enerzijds op de onderdanigheid van politieke autoriteiten, de hulp van lokale politieke organen en de
medewerking of passieve houding van de bevolking, om te beginnen van haar politieke en geestelijke elites. Maar anderzijds steunde zij op de bereidheid
van de slachtoffers om te zwichten voor bevelen, niet zelden met de hoop deze te kunnen verzachten of ze lang genoeg te overleven om aan erger te ontkomen.
Doordat Friedländer recht doet aan alle facetten, geeft hij inzicht in de proporties, de complexiteit en de onderlinge verwevenheid van de vele componenten
van deze geschiedenis. Zich baserend op een immens scala van documenten en een overweldigend koor van getuigenissen - voornamelijk uit dagboeken, brieven
en herinneringen - weet hij te verijdelen dat wij de herinnering aan gebeurtenissen die ongehoord en weerzinwekkend zijn, als iets vanzelfsprekends zouden
gaan beschouwen.
In dit monumentale werk heeft de Holocaust zijn meest alomvattende beschrijving gevonden.
De wereldberoemde historicus Saul Friedländer werd in 1932 in de Tsjechische hoofdstad Praag in een Joods gezin geboren. Begin 1939, toen duidelijk werd dat Hitler
Tsjechoslowakije zou bezetten, nam het gezin de wijk naar Frankrijk. Daar werd de negenjarige Friedländer op een streng katholieke kostschool geplaatst. Gescheiden
van zijn ouders gaf hij zich geheel over aan het katholicisme. Pas nadat duidelijk was geworden dat zijn ouders in Auschwitz vermoord waren, zocht hij toenadering
tot het zionisme.
In 1948 trok hij naar Israël, waar hij de middelbare school voltooide, in het leger diende en in de avonduren rechten en economie studeerde. Daarna was hij onder meer
assistent van Shimon Peres en secretaris van Nahum Goldblum, de toemalige voorzitter van de Zionistische Wereldorganisatie. Friedländer verbleef voor onderwijs en
onderzoek met betrekking tot de holocaust aan univesriteiten in Frankrijk, de Verenigde Staen en Zwitserland. Veel aandacht kreeg zijn in 1964 gepubliceerde studie
over de opstelling van Paus Pius XII jegens Hitler-Duitsland. Hij liet zich na 1967 kennen als pleitbezorger voor teruggave van door Israël bezette gebieden en als voorstander
van de oprichting van een Palestijnse staat.
Thans is Friedländer hoogleraar aan de Universiteit van Califonië in Los Angeles. Hij ontving talrijke prijzen en onderscheidingen voor zijn werk, waaronder de Vredesprijs
van de Duitse Boekhandel in 2007.
Boekbespreking door Dirk Verhofstadt. Bron: Liberales.be
Over geen enkel ander onderwerp verschenen zoveel boeken als over Adolf Hitler, de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. Denk aan de werken van Joachim Fest,
Raul Hilberg en Ian Kershaw of aan de persoonlijke getuigenissen van Sebastian Haffner, Primo Levi, Imre Kertész en zovele anderen. Toch zijn er nog veel
onbeantwoorde vragen over de juiste beweegredenen van Hitler, de kennis van de doorsnee Duitsers over de massamoorden, de houding van de kerken tegenover
de uitroeiing van de Joden, en vooral over de vraag of de Judeocide het resultaat was van een vooraf gepland plan zoals intentionalisten veronderstellen,
of eerder het ‘logische’ gevolg van een langdurig proces dat onvermijdelijk zou leiden tot het grootste drama in de wereldgeschiedenis, de moord op zes
miljoen Joden in Europa, zoals functionalisten betogen. In zijn monumentale werk Nazi-Duitsland en de Joden geeft de Tsjechische historicus en hoogleraar
Saul Friedländer een antwoord op al deze vragen. Aan de hand van massa’s uitspraken van nazi-leiders, krantenknipsels, persoonlijke brieven, officiële
documenten, individuele getuigenissen en dwarsverbanden toont hij een schrikbarend beeld van het alomvattende antisemitisme, niet alleen in Duitsland,
maar in zowat alle Europese landen waar het christendom zo sterk aanwezig was, en dat een van de belangrijkste drijfveren was die de massamoord op de Joden
mogelijk maakte.
Al in het eerste deel van zijn over De jaren van vervolging 1933-1939 beschrijft Friedländer hoe akelig snel de Duitsers zich vereenzelvigden met de
nazistische propaganda en hoe de Joden hun droeve lot ondergingen. In tegenstelling tot Daniël Goldhagen zegt de auteur niet dat het Duitse volk behept
was met een op fysieke eliminatie van de Joden gericht antisemitisme, maar wel dat het heeft bijgedragen aan de nazi-politiek om op ongekende schaal de
Joden uit te roeien. Vanaf het begin speelden de geestelijke leiders daarin een bijzonder bedenkelijke rol. Toen de eerste maatregelen tegen de Joden
werden getroffen, protesteerden de kerkleiders niet in het openbaar. Otto Dibelius, de hoogste protestantse geestelijke in Duitsland, billijkte openlijk
de politiek van de nazi’s, en de katholieke kardinaal Adolf Bertram besloot om niet te reageren tijdens de boycot van joodse winkels omdat ‘de boycot
deel uitmaakte van een economische strijd waarbij geen directe kerkelijke belangen in het geding waren’. Die redenering van katholieke leiders loopt als
een rode draad doorheen het twaalfjarig schrikbewind van de nazi’s tegenover de bevolking in het algemeen en de Joden in het bijzonder. Zolang de belangen
van de katholieke kerk en de paus niet in het gedrang kwamen, hulden ze zich in stilzwijgen of stemden ermee in.
Zo bleef de Kerk doofstom toen de rassenwetten van Neurenberg werden uitgevaardigd waardoor de Joden steeds meer beroofd werden van hun rechten. De
Oostenrijkers namen eenzelfde houding aan. Friedländer wijst erop dat gewelddaden tegen de Joden in Oostenrijk reeds begonnen voor de Anschluss en dat
de bevolking zich verlustigde in vernederingstaferelen waarvan Joden het slachtoffer waren. Ook de Oostenrijkse kerkleiders huldigden zich in stilzwijgen
of wezen op de ‘historische’ schuld van de ‘moordenaars van Christus’. Het meest schrijnende voorbeeld van de onverschilligheid van de christelijke
leiders en hun gelovigen bleek na de Kristallnacht, een door de nazi’s georganiseerde aanval tegen de Joden in de nacht van 9 op 10 november 1938. Daarbij
werden 267 synagogen in brand gestoken, duizenden winkels en bedrijven verwoest, huizen, scholen en begraafplaatsen beklad en vernield. Bijna honderd Joden
werden vermoord. Enkele dagen later pakte de Gestapo en de SS meer dan 30.000 Joden op die verdwenen in de concentratiekampen van Dachau, Buchenwald en
Sachsenhausen. ‘De kerken spraken zich in het openbaar niet tegen de pogrom uit,’ schrijft Friedländer, en hiermee gaven ze vrij baan aan Hitler en zijn
volgelingen om door te gaan, wat zou leiden tot De jaren van vernietiging 1939-1945, zoals beschreven in het tweede deel van zijn magnum opus.
De Joden werden voortdurend voorgesteld als hét cruciale gevaar voor de gezondheid van de volksgemeenschap en het ware geloof. Hitler, Goebbels en andere
fascistische leiders noemden de Joden duivels die zowel het kapitalistische Amerika als het bolsjewistische Rusland de touwtjes in handen hielden en uit
waren op wereldheerschappij. Daarbij verwezen ze regelmatig naar de Protocollen van de Wijzen van Zion, een vervalst document. Ondanks het groteske karakter
van deze beschuldigingen kwamen steeds meer Europeanen onder invloed van deze ideeën die dan nog werden versterkt door het antisemitisme van de kerken.
Zo raakten de Joden steeds meer geïsoleerd en kwetsbaar. ‘Geen enkele maatschappelijke groep, geen enkel kerkgenootschap, geen onderzoeksinstelling of
beroepsvereniging in Duitsland of elders in Europa verklaarde zich solidair met de Joden,’ schrijft Friedländer, met als gevolg dat de nazi’s en
aanverwante leiders ‘de Jodenvervolging tot het alleruiterste konden blijven zonder ook op maar één tegenkracht van enig belang te stuiten’. Na de oorlog
is door burgers en gewone soldaten vaak beweerd dat ze geen weet hadden van de misdaden die tegenover de Joden werden begaan, ‘Wir haben es nicht gewusst’,
zo klonk het. Friedländer weerlegt dat en bewijst overtuigend dat massa’s Duitsers, Polen, Wit-Russen, Oekraïners, Balten en andere Europeanen wisten
dat de Joden vervolgd en uitgeroeid werden. Maar hij toont ook aan dat de nazi’s in eerste instantie geen concreet en definitief plan hadden voor de
Endlösung.
In de eerste maanden van de oorlog, die bijzonder succesvol verliep voor het Reich, speelden de nazi’s met het idee om de Joden te deporteren naar een
veraf gelegen plek, bijvoorbeeld naar Madagaskar, een eiland ten oosten van Afrika. Men wou ze in elk geval uit Europa krijgen. Daartoe begon men met een
politiek van ‘identificatie, afzondering, onteigening, concentratie en emigratie of uitzetting’. Zo merkt de auteur op dat het tot oktober 1940 voor
Poolse Joden toegestaan was om te emigreren, hoewel de waarheid gebiedt te zeggen dat weinig landen bereid waren om op dat moment Joodse vluchtelingen
op te nemen. In elk geval ondervonden de autoriteiten weinig of geen weerstand bij de bevolking, een gevolg van de onverschillige houding van de
christelijke leiders. Dat die kerken nochtans een grote impact konden hebben blijkt uit het feit dat in de jaren dertig en veertig ruim 95 procent van de
Duitsers naar de kerk ging. Steun van de kerken moesten de Joden niet verwachten. Meer nog, de hoogste katholieke vertegenwoordiger in nazi-Duitsland,
kardinaal Adolf Bertram, ‘stond pal achter Führer en vaderland’, schrijft Friedländer. Ook in andere landen, zoals in het bezette Frankrijk keurde het
episcopaat de anti-Joodse maatregelen goed (ze verwelkomde de uitsluiting van de Joden uit het openbare leven). Eind 1940 werden getto’s opgericht,
moesten de Joden zich registreren en werden gedeporteerd. Tal van Duitsers kregen de ontruimde huizen van de Joden toegewezen, toeristen vergaapten zich
aan massagraven en de pers maakte geen geheim van het bestaan van concentratiekampen.
‘De Jodenvervolging werd in heel Europa geaccepteerd, ja zelfs gebillijkt door de bevolking, met inbegrip van de intellectuele elite en nog het meest door
de christelijke kerken,’ aldus Friedländer. Een sleutelzin staat op bladzijde 196 wanneer de auteur stelt dat de moordzucht tegen de joden zo manifest
in de lucht hing dat niemand er overheen kon kijken. Hiermee ondermijnt hij de stelling van historici als Michael Hesemann en Michael Burleigh die in hun
recente boeken de kerk en de paus proberen vrij te pleiten van schuld. Vanaf de zomer 1941 begonnen de massamoorden. ‘Die Juden sind Freiwild’, schreef
een lid van de Ordnungspolizei. Friedländer beschrijft massamoorden in Litouwen waar de bevolking instemmend toekeek en in Polen (Jedwabne) waar de
lokale inwoners – geïndoctrineerd door extreem antisemitische priesters – hun Joodse buren met knuppels afmaakten. Hij heeft het over de beruchte katholieke
Ustaša die in Kroatië als waanzinnigen tekeer gingen tegen de Joden (nochtans wist het Vaticaan hiervan) en over Tiso, een Slowaakse katholieke priester
die president werd, en die tienduizenden Joden uitleverde aan de nazi’s en voor die deportatie zelfs betaalde! Vanaf de aanval in Rusland schakelden de
Duitsers in een hogere versnelling. De frontsoldaten werden gevolgd door de beruchte Einzatsgruppen die het bevel kregen om alle communistische leiders en
Joden dood te schieten. Toch had Hitler op dat moment nog steeds geen vastomlijnd plan, aldus de auteur. Maar de contouren werden zichtbaar. Het ging hem
om de eliminatie van de Joden.
De Jodenhaat werd op het thuisfront stelselmatig aangemoedigd. ‘In bioscoopzalen ging gejuich op bij journaalbeelden van de arrestatie van Joden, hun gezwoeg
als dwangarbeiders en zelfs toen er een lynchpartij in Riga te zien was,’ schrijft de auteur. Enkele weken later besloot Himmler om de Joden in het getto
van Riga te vermoorden. Hierna volgt een van de hardste beschrijvingen in dit boek. Het doodschieten van Joden in een massagraf waarbij de slachtoffers
in een kuil moesten kruipen, zich naakt op de lichamen van hun dode lotgenoten moesten leggen en nadien met een nekschot werden afgemaakt. In die periode
begonnen ook de deportaties van de Joden uit Berlijn en andere Europese centra naar de kampen in het Oosten. Op 11 december 1941 verklaarde Duitsland de
oorlog aan de VS. Een dag later verklaarde Hitler dat de Wereldoorlog een feit was en dat ‘de vernietiging van de Joden het noodzakelijke gevolg (moet)
zijn’. Wat wisten de geallieerden hiervan? De Engelsen konden via de Enigma-machine de Duitse boodschappen decoderen en wisten dat de Joden massaal werden
vermoord. Enkele gevangenen wisten te ontsnappen en speelden gevoelige informatie door aan de geallieerden. Maar het ongeloof bleef daar groot. Intussen
werkten de vernietigingscentra van Chelmno, Belzec en Sobibor op volle toeren. Treblinka en Auschwitz waren toen in aanbouw.
De beslissing om de Joden fysiek te elimineren kwam er na de Duitse nederlaag in Noord Afrika en de slag om Stalingrad. Hitler zag hier opnieuw de hand van
de Joden in. Vanaf toen begonnen de massale vervolgingen en deportaties uit andere Europese landen naar de kampen in het Oosten. In tal van landen verliep
dat bijzonder ‘vlot’ zoals in Nederland. En ook in Frankrijk waren het uitsluitend Franse politieagenten die razzia’s hielden om Joden op te pakken. Maar
het waren natuurlijk wel de nazi’s die hierop aanstuurden. Treffend voor het fanatisme was de vraag van Himmler om de 150 tot 200 Finse Joden uit te leveren
en later ook de Joden uit de eilanden in de Middellandse Zee te vernietigen. Tegen het einde van het jaar 1942 wist de internationale gemeenschap veel
over deze moordplannen. ‘Op 17 december 1942 verklaarden alle geallieerde landen en het Nationale Comité van Vrije Fransen dat de Joden in Europa werden
uitgeroeid,’ schrijft Friedländer. Die informatie bereikte ook het Vaticaan. Tal van geestelijke leiders uit de bezette gebieden brachten de paus op de
hoogte van de infernale uitroeiing van de Joden in hun gebied. Maar Pius XII bleef zwijgen.
Op 16 oktober 1943 werden meer dan duizend Joden in Rome opgepakt en afgevoerd naar Auschwitz. Ook dat wist de paus al heel snel. Meer nog, hij werd dag
na dag op de hoogte gehouden van de deportatieroute, maar weigerde te reageren. Sommige historici beweren dat de paus daarmee erger onheil wou voorkomen,
zijn eigen veiligheid wou verzekeren of Rome en het Vaticaan beschermen tegen verdere vernietiging. Eigenlijk was de deportatie een enorme gok van de Führer,
want hij liep kans op een publieke veroordeling door de hoogste vertegenwoordiger van de katholieke kerk. De enige plausibele reden dat hij de deportatie
toch liet doorgaan is dan ook even eenvoudig als onthutsend. ‘Hitler en zijn helpers wisten zeker dat de paus niet zou protesteren,’ aldus de auteur. Het
is de zwaarste beschuldiging ten aanzien van de kerkelijke leiders in dit boek, maar lang niet de enige. ‘Leden van de clerus die na de oorlog van niets
zeiden te weten, zoals bijvoorbeeld kardinaal Bertram en bisschop Gröber, logen gewoon,’ schrijft Friedländer. Tekenend was ook het verzoek van
Bertram na de zelfmoord van Hitler op 30 april 1945 aan alle parochiepriesters van zijn diocees om ‘een plechtig requiem ter
herinnering aan de Führer op te dragen’. Op dat ogenblik hadden de geallieerden immers alle concentratie- en vernietigingskampen bevrijd en kende
men de vreselijke waarheid van de moord op miljoenen Joden.
De nazi’s wilden ondanks het onafwendbare einde in de laatste oorlogsjaren toch alle Europese Joden doden. Die obsessie lijkt irrationeel, maar dat klopt
niet. Hitler bleef aandringen op hun volledige vernietiging als middel om de ‘bloedzuiverheid’ van de Duitsers veilig te stellen. Voor hem waren de Joden
de ondermijners van de eigen cultuur. In juni 1943 beval Himmler de liquidatie van alle getto’s in het Ostland. En paradoxaal groeide het antisemitisme in
landen als de Oekraïne en Polen nog meer. Naarmate de Duitsers gebied verloren groeide hun haat tegenover de Joden, die ze als oorzaak zagen voor hun
miserie. In de zomer van 1944 deporteerden de nazi’s meer dan 400.000 Hongaarse Joden naar Auschwitz en zelfs op het moment dat de Russische soldaten
zich al in de hoofdstad Boedapest bevonden, bleven fascistische milities Joden doodschieten aan de oevers van de Donau. Zo heeft de auteur het over de
laatste maanden van het nazi-regime die leidden tot een ‘eindsprint naar de volledige uitroeiing van de Europese Joden’. Toen
de kampen op het punt stonden om bevrijd te worden, joeg men nog een kwart miljoen Joden de dood in door ze in dodenmarsen naar andere kampen te sturen.
Opmerkelijk is dat uit de laatste peilingen van de Sicherheitsdienst begin 1945 bleek dat de bevolking de Joden nog meer haatten en verantwoordelijk
stelden voor de oorlog.
Het boek van Friedländer rekent finaal af met twee stellingen. De eerste betreft de onwetendheid van de Duitsers en tal van andere Europese burgers over
de Endlösung. Net als Robert Gellately geeft hij tal van voorbeelden die dat tegenspreken. De tweede handelt over de passende houding van de geestelijken.
Net als de historici John Cornwell, Michael Prayer en Daniël Goldhagen toont Friedländer overtuigend aan dat de kerken, hun vertegenwoordigers en vooral
de paus in gebreke bleven. In het Vaticaan wordt hard gewerkt om paus Pius XII zalig en later ook heilig te verklaren. Daarvoor onderzoekt de
‘Congregatie voor zalig- en heiligverklaringen’, die als bij toeval haar kantoren heeft op de Piazza Pio XII, nu de twee voorwaarden waaraan moet worden
voldaan: erkenning van de heldhaftigheid van zijn deugden en de goedkeuring van een wonder dat op zijn voorspraak door de Heer is gedaan. Van
‘heldhaftigheid’ is alvast geen sprake, en het grootste wonder blijft waarom de Pius XII gedurende zijn bijna twintigjarige pontificaat, dus ook in de
dertien jaar na het einde van de oorlog niet éénmaal de uitroeiing van de Joden heeft aangeklaagd, Mein Kampf niet op de index van de verboden boeken
plaatste en geen enkele hooggeplaatste nazi-leider excommuniceerde. Het antwoord op deze vragen ligt mogelijks in de archieven van het Vaticaan.
Maar die weigerde tot op de dag van vandaag elke inzage.
Vervolging van de Joden van Duitsland
Lees ook deze boekbesprekingen op Verzet.org:
• Duitsland en zijn joden van 1743 tot 1933 (Amos Elon)
• Nazi-Duitsland en de Joden. Deel 1 en 2 (Saul Friedländer)
• De Joden in Duitsland, van de Romeinse tijd tot de Weimar Republiek (Nachum T. Gidal)
• De laatste reis. De vernietiging van de Joden in nazi-Duitsland (Martin Gilbert)
• Het Loon van de Schuld (Ian Buruma)
|
|
|
Laatst geupdate op ( Sunday 13 April 2008 )
|
|
|