
Dr. Bloeme Evers-Emden [blz. 9-10]: 'Onderduikouders' zijn mensen die een Joods kind (of kinderen) tijdens de Jodenvervolging illegaal in huis namen en 'onderduikkinderen' zijn
de kinderen die bij hen beschutting vonden. We weten dat helaas slechts een geringe minderheid van de niet-Joden hun Joodse medemensen hulp hebben verleend. "Het
was heel moeilijk Joden te herbergen; bijna niemand nam ze", aldus de Enquête-commissie (deel VII c, pag. 262).
De schattingen van het aantal mensen dat Joden hielp in door Duitsland bezet Europa lopen uiteen van 0,004% (vier op honderdduizend) tot 2% (twee op honderd) van de bevolking. 'Hulp'
kon variëren van het verkopen van het eigen persoonsbewijs tot het jarenlang onderduikers onderdak te verschaffen. Wie niets deed liep geen risico, althans niet hierdoor.
In een land als Nederland, dat al meer dan een eeuw geen oorlog had gekend, had ondergrondse activiteit geen voorgeschiedenis. Mede hierdoor kwam het georganiseerde verzet
pas langzamerhand op gang, buiten de vele gevallen van individuele hulpverlening.
Toen de deportaties in juli 1942 begonnen was er geen verzetsapparaat (Flim, 1987). De weinigen die in de zomer van 1942 onderdoken kwamen bij vrienden, kennissen, collega's of
niet-Joodse familie. Meteen deden zich tal van problemen voor, waaronder financiële, want het overgrote deel van de Joden was arbeider, zeker in Amsterdam. Zij werden meestal
getroffen door ontslag via Duitse maatregelen voor zover zij al niet werkloos waren.
Velen van hen waren politiek geschoold en hadden zich voor de oorlog georganiseerd in politieke arbeidspartijen en vakbonden; bovendien waren de meesten allang niet meer religieus
gebonden. Deze factoren gaven gelegenheid te over vele en goede relaties te leggen in de niet-Joodse wereld. Echter, noch deze relaties noch de Joden zelf waren er in
het tweede half jaar van 1942 van overtuigd dat de reis naar de 'tewerkstelling in Duitsland' vrijwel steeds de dood betekende. Toen dat wel duidelijk(er) werd kon het toch
geschieden dat juist vanuit Nederland - na Polen - het hoogste percentage Joden is gedeporteerd en vermoord. Hondius (1990) meent, net als Knap (1966), dat zelfs bij een relatief
gering en mild antisemitisme zoals dat in Nederland bestond de Jodenvervolging in deze omvang kon plaatsvinden omdat Nederlanders '
gezagstrouw' waren [sic].
Naar 'onderduikers' is - zeker in Nederland - nog weinig onderzoek gedaan. Dat onderzoek is dringend, omdat die generatie (geboren tussen 1900 en 1920) er binnenkort niet
meer zal zijn. Over 'onderduikkinderen' is meer gepubliceerd, maar dit boek besteedt ruime aandacht aan hun gedrag, gevoelens en ervaringen. Daaruit komen opmerkelijke
conclusies voort.
Het boek bevat ontroerende, soms ook schrijnende en onthutsende getuigenissen. De verworven kennis uit dit onderzoek is van belang voor de onderduikkinderen en
hùn kinderen, maar ook voor hen die nu of in de toekomst onder vergelijkbare stress moeten leven.
Dr. Bloeme Evers-Emden (1926) studeerde op latere leeftijd ontwikkelingspsychologie aan de UvA. Ze werd universitair medewerker, later
wetenschappelijk hoofdmedewerker en promoveerde in 1989. Ook na haar pensionering bleef ze tot 2003 verbonden aan de universiteit. Ze schreef vijf boeken
over kinderen, onderduikouders, de onderduikperiode en de gevolgen daarvan voor de betrokkenen. Sinds de oprichting in 1999 is zij als docent aan
Crescas
verbonden. Zij was destijds zelf een ondergedoken kind; zij herinnert zich het gevoel van een touw dat onontkoombaar steeds strakker aangetrokken werd en
de adem afsneed: de onvoorstelbare Jodenvervolging. Met groot inlevingsvermogen heeft zij geluisterd naar wat zowel de
onderduikouders als de onderduikkinderen haar te vertellen hadden.
Dr. Bloeme Evers-Emden vertelt in het boek Nationaal Aandenken 2005 ‘Vrijheid geef je door’, over hoe de oorlog in haar leven kwam: "
Het was vrijdagochtend, op 10 mei 1940. Ik stond op en ging naar beneden. Mijn ouders zaten voor het raam. 'De oorlog is begonnen,' zeiden ze. Ik zat op de middelbare school. We woonden in Amsterdam en waren Joods. De vervolging van de Joden begon met kleine verboden. We mochten van de Duitsers niet in het park wandelen en niet met de trein reizen. Later mochten Joden niet meer met niet-Joden werken. En we mochten maar op bepaalde uren boodschappen doen. In 1941 werd mijn school 'judenrein' gemaakt. Dat betekende dat ik en de andere joodse kinderen naar een aparte school moesten. In 1942 kregen alle Joodse kinderen vanaf zestien jaar een 'werkoproep'. Ik werd dat jaar zestien. Eerst geloofde je nog dat het om een werkkamp ging. Niemand wist dat je in die kampen vermoord werd. Daar denk je toch niet aan?
Elke week zaten er minder kinderen in mijn klas. Ze waren meegenomen door de Duitsers of ondergedoken. De angst was wurgend. Ik moest ook onderduiken. Ik heb op wel vijftien adressen gewoond.
Uiteindelijk kwam ik toch in het concentratiekamp Auschwitz in Polen. Hoe dat was, daar kan ik niet over praten. Maar ik ontsnapte aan de dood, want ik moest gaan werken in een fabriek voor sneeuwkettingen. Onze ploeg bestond uit dertien vrouwen. Elke dag spraken we elkaar moed in. Op een dag zei een man uit de fabriek: 'Holland is bevrijd.' je geloofde het niet, maar het was waar. In drie weken liepen we terug naar Nederland. Mijn vader, moeder en zusje heb ik nooit meer gezien. Ze zijn vermoord, net als zes miljoen andere Joden.
"