
Der Inspekteur für Statistik
beim Reichsführer SS
De definitieve oplossing van de Europese Jodenkwestie
=========================================
Statistisch Rapport
I N H O U D
I. Opmerking vooraf
II. De Jodenbalans in Duitsland
III. Joodse volkszwakte
IV. De emigratie van de Joden uit Duitsland
V. De evacuatie van de Joden
VI. De Joden in de getto's
VII. De Joden in de concentratiekampen
VIII. Joden in strafinrichtingen
IX. De arbeidsinzet van de Joden
X. Balans van de Europese Joden
-----
DIE ENDLÖSUNG DER EUROPÄISCHEN JUDENFRAGE
=========================================
Statistischer Bericht
I n h a l t :
I. Vorbemerkung
II. Die Judenbilanz in Deutschland
III. Jüdische Volksschwäche
IV. Die Auswanderung der Juden aus Deutschland
V. Die Evakuierung der Juden
VI. Die Juden in den Ghettos
VII. Die Juden in den Konzentrationslagern
VIII. Juden in Justizvollzugsanstalten
IX. Der Arbeitseinsatz der Juden
X. Europäische Judenbilanz
-----
DE DEFINITIEVE OPLOSSING VAN DE EUROPESE JODENKWESTIE
Statistisch rapport
I. Opmerking vooraf
DIE ENDLÖSUNG DER EUROPÄISCHEN JUDENFRAGE
Statistischer Bericht
I. VORBEMERKUNG
Om een balans op te maken om aldus tot resultaten te komen
in de oplossing van de Jodenkwestie, is het noodzakelijk om de numerieke ontwikkeling van het aantal Joden te kennen. De tegenspraak in de aantallen betreffende het
Jodendom, echter vergt een inleidende toelichting omdat de informatie met betrekking tot het aantal Joden, steeds met de nodige omzichtigheid moet worden benaderd
en vaak tot verkeerde conclusies kunnen leiden, als er geen informatie is over de oorsprong van de bronnen of de wijze waarop deze informatie werd vergaard.
De oorzaken van deze fouten worden vooral gevonden in de aard van het Jodendom en haar historische evolutie, in de duizenden rusteloze omzwervingen, in het grote
aantal van hen die tot het Jodendom toetraden of uittraden, in de vele pogingen om zich te assimileren, in het zich vermengen met de autochtone bevolking,
in de inspanningen van de Jood om aan statistische tellingen te ontsnappen, en tenslotte, in onjuiste of verkeerd geïnterpreteerde statistieken van het Jodendom.
Zur Aufstellung einer Bilanz über die Ergebnisse auf dem Wege zur Lösung der Judenfrage bedarf es der zahlenmäßigen Erfassung des Judentums und seiner Entwicklung. Die Widersprüche in den Zahlenangaben über das Judentum machen jedoch eine Vorbemerkung dahingehend nötig, daß Zahlen über das Judentum stets mit besonderem Vorbehalt aufzunehmen sind und ohne Kenntnis ihrer Quelle und Entstehung oft zu Fehlschlüssen führen. Die Fehlerquellen liegen vor allem im WEsen des Judentums und seiner historischen Entwicklung, in seiner tausendjährigen ruhelosen Wanderschaft, den zahllosen Aufnahmen und Austritten, den Angleichungsbestrebungen, der Vermischung mit den Wirtsvölkern, in dem Bemühen des Juden, sich unbemerkt der Erfassung zu entziehen, und schließlich in falschen oder falsch ausgelegten Statistiken über das Judentum.
En verder heeft de statistiek -
- gedeeltelijk als statistische hulpmiddel, gedeeltelijk wegens verregaande overlapping tussen het Joodse geloof en het Joodse ras, gedeeltelijk uit gebrek aan kennis
omtrent rassentheorieën, en deels getrouw aan het religieus denken in een bepaalde tijdsgeest - bijna nooit de Joden beoordeeld naar hun ras, maar in plaats daarvan
hen volgens hun godsdienstige bekentenis geregistreerd. De statistische opname van ras veronderstelt vele jaren van opleiding [van de onderzoeker] evenals onderzoek
naar hun voorouders. Een andere reden waarom het - voornamelijk in zuidelijke en oostelijke landen - moeilijk bleek, was dat ondanks al de overlappingen, een eenvormig Joods ras moeilijk statistisch
bleek te omschrijven. Zich al dan niet gedwongen bekeerd hebben tot het mosaïsche of Israëlitische geloof is geen sluitend geldig bewijs, omdat als gevolg van vroeger Joodse zendelingen en
bekeringsbewegingen, met zijn massale opname en door de al dan niet gedwongen bekering van heidenen en Christenen, alsmede door de afvalligheid in het Judaïsme door
gemengde huwelijken en „omzetting“ de laatste tijd, er veel religieuze Joden bestaan die niet van het Joodse ras zijn terwijl omgekeerd, door gedwongen Christianisering
het aantal gedoopte Joden de afgelopen eeuw opnieuw scherp is toegenomen en het aantal Joden daardoor sterk is afgenomen. Zo schatte bijvoorbeeld
Leroy-Beaulieu het aantal Joden dat aan Christendom werd 'verloren' op ongeveer vier tot tien keer het aantal huidige aanhangers van het Judaïsme; volgens Maurice
Fishberg en Mathias Mieses, werd tot drie toe het huidige aantal Joden geabsorbeerd in het Arische Europa. Zelfs Hans Günther schat dat het aantal Joden in Duitsland het
dubbele is van het aantal Joden van het mosaïsche geloof die van Duitse origine zijn. Tot slot gaat de Litouwse Jood Brutzkus zo ver om de Berlijnse Joden te omschrijven,
gebaseerd op de samenstelling van hun bloed, dat zij meer Europeser zijn dan de Duitsers zelf die in Berlijn leven.
Darüber hinaus hat die Statistik -teils als statistischen Notbehelf, teils wegen der weitgehenden
Übereinstimmung zwischen jüdischem Glauben und jüdischer Rasse, teils in Unkenntnis des Rassegedankens, teils im religiösen Denken der jeweiligen Zeit befangen- bis
zuletzt die Juden fast nie nach ihrer Rasse, sondern nach ihrem religiösen Bekenntnis erfaßt. Die Erfassung der Rasse setzt eine vieljährige Schulung und auch Ahnenforschung voraus. Auch gestaltete sie sich schwierig, vor allem in südlichen und östlichen Ländern, weil trotz aller Übereinstimmung eine einheitliche jüdische Rasse sich statistisch schwer abgrenzen ließ. Das Bekenntnis zum mosaischen oder israelitischen Glauben ist wieder kein vollgültiges Beweismittel, weil es infolge der einstigen jüdischen Missionsbewegung mit ihrer Aufnahme von Massen von Heiden und Christen, auch durch die Übertritte zum Judentum in neuer Zeit durch Mischehen und "Bekehrung" nicht wenige Glaubensjuden nichtjüdischer Rasse gibt, während umgekehrt das Zwangschristentum und die im letzten Jahrhundert wieder stark angestiegene Zahl der getauften Juden und daneben der Gemeinschaftslosen mit jüdischer Rasse die Judenzahl drückten. so schätzte Leroy-Beaulieu 1893 den Verlust des Judentums durch das Christentum auf das Vier- bis Zehnfache seiner heutigen Anhänger, nach Maurice Fishberg und Mathias Mieses ist das Dreifache der heutigen Judenzahl im arischen Europa aufgegangen. Sogar hans Günther schätzt die Zahl der Juden in Deutschland auf das Doppelte der Zahl der Juden mosaischen Glaubens, die deutsche Staatsangehörige sind. Schließlich geht der litauische Jude Brutzkus so weit, die Berliner Juden nach ihrer Blutzusammensetzung als reinere Europäer zu bezeichnen als die Deutschen in Berlin.
Rekening houdende met deze meningen, wordt het aantal
ras-Joden in Europa, met inbegrip van Mischlinge [half- en kwart Joden], vaak vastgeprikt bij drie keer het aantal religieuze Joden (tweemaal zo hoog als in
Oost-Europa, in Midden-Europa tot vier keer zo hoog, in de rest van Europa zelfs tot acht keer hoger), berekenend dat 6 op 100 mensen In Europa één of andere
graad van Joods bloed hebben. Door vergelijking raamde Burgdörfer het aantal Joden in Duitsland in 1933 op ongeveer 850.000 volledige, halve- en kwart-Joden
(waarvan 502.799 religieuze Joden); voor Oostenrijk in 1934 tussen 300-400.000 (waarvan 191.481 religieuze Joden). Het tellen van ras-Joden in de Duitse telling van
1939 bracht - waarvan 307.614 religieuze Joden - leverde een enigszins hoger aantal 330.892 volledige Joden, 72.738 halve Joden, en 42.811 kwart Joden op,
hoewel deze aantallen niet als betrouwbaar kunnen worden gezien vooral met betrekking tot half- en kwart-Joden. De aantallen kunnen slechts als minimumaantallen
worden geëvalueerd. Zij werden gegenereerd uit de antwoorden op de vraag: "was of is één van uw vier grootouders volledig Joods?" Die vraag werd
gesteld op een 'supplementaire kaart' aan de gezinssamenstelling tijdens de volkstelling van 1939 en moest worden beantwoord met „ja“ of „geen“ voor elke grootouder.
Aangezien deze supplementaire kaart in een gesloten envelop moest worden voorgelegd en daarom niet onderworpen was aan controle ter plekke, werd de kaart slecht
ingevuld. Dikwijls, in plaats van een antwoord, werden slechts gemarkeerde kaarten in de overeenkomstige dozen gedropt.
Entsprechend diesen Meinungen hat man die Anteile der Rassejuden samt Mischlingen in Europa vielfach dreimal so hoch als die der Glaubensjuden angenommen (in Osteuropa zweimal, in Mitteleuropa viermal, im übrigen Europa gar achtmal so hoch) und mit etwa 6 vH mehr oder weniger jüdischem Blut in der europäischen Bevölkerung gerechnet. Demgegenüber führte Burgdörfer die Judenzahlen für das Deutschland von 1933 auf 850 000 Voll-, Halb- und Vierteljuden (bei 502 799 Glaubensjuden) in seinen Schätzungen zurück, für Österreich von 1934 auf 300-400 00 (bei 191 738 Glaubensjuden). Die Erhebung der Rassejuden bei der deutschen Volkszählung von 1939 hat bei 307 892 Glaubensjuden nur die etwas höhere Zahl von 330 892 Volljuden, 72 738 Halbjuden und 42 811 Vierteljuden ergeben, die vor allem bezüglich der Halb- und Vierteljuden keinesfalls als zuverlässig angesehen werden kann. Die gewonnenen Zahlen lassen sich nur als Mindestzahlen werten. Sie kamen durch die in einer "Ergänzungskarte" zur Haushaltungsliste der Volkszählung 1939 enthaltene Frage "War oder ist einer der 4 Großelternteile Volljude?" zustande, die für jeden Großelternteil mit "ja" oder mit "nein" zu beantworten war. Da diese Ergänzungskarte in verschlossenem Umschlag abzugeben und darum der Kontrolle am Ort entzogen war, wurde sie schlecht ausgefüllt. Vielfach wurden statt einer Antwort nur Striche in dei entsprechenden Fächer gemacht.
De eerste officiële poging om de Joden volgens hun ras
te tellen werd vrijwel onmiddellijk gesaboteerd door de Joden. Dit gebeurde tijdens de Oostenrijkse volkstelling van 7 maart 1923. Kort voor het begin van de volkstelling,
ondertekende vice-Kanselier Dr. Frank van de Großdeutsche Volkspartei een besluit volgens hetwelk het antwoord op Vraag 7 van het telformulier ('welke taal') eveneens
de vraag naar 'etnisch origine [Volkszugehörigkeit] en ras zou moeten omvatten.' Aangezien de telformulieren reeds waren gedrukt, werd dit slechts aangehaald in een toegevoegd
rood berichtje, zonder verdere uitleg of instructie, noch voorzien van voorbeelden. De manier waarop de Oostenrijkse Joden deze vraagstelling saboteerden ging als volgt:
onmiddellijk vóór de telling, raadde de Joods-Marxistische pers zijn lezers aan om op de vraag naar het ras, deze met 'wit' te beantwoorden. Het resultaat was dat
het 'witte ras over heel Oostenrijk werd gevonden net zover als de invloedssfeer van de Joods-Marxistische pers en haar partijen zich reikten'. Slechts in Karinthië en
Burgenland werd telformulier aangepast en uitgevoerd, alhoewel de resultaten twijfelachtig waren; in de andere deelstaten en dan vooral in Wenen, werd het bijkomend besluit
als volkomen onzin afgevoerd.
Der erste amtliche Versuch, die Juden nach ihrer Rasse zu erfassen, wurde von den Juden sofort sabotiert. Er geschah bei der österreichischen Volkszählung vom 7. März 1923. Vizekanzler Dr. Frank (Großdeutsche Volkspartei) unterzeichnet ekurz vor der Zählung eine Verordnung, wonach zur Frage 7 des Zählblattes (Sprache) "auch die Volkszugehörigkeit und Rasse anzugeben" waren. Da die Zählblätter bereits gedruckt waren, wurde darauf nur in einem roten Merkzettel ohne Erläuterung, anleitung und Musterbeispiele hingewiesen. Die österreichischen Juden sabotierten diese Frage dadurch, dass die jüdisch-marxistische Presse unmittelbar vor dem Zählungstag ihre Leser aufforderte, die Frage nach der Rasse mit " w e i ß " zu beantworten. Das Ergebnis war, daß daraufhin die "weiße Rasse in Österreich etwa so weit verbreitet war, wie die Einflußspähre der jüdisch-marxistischen Presse und Parteien reichte". Nur in Kärnten und im Burgenland wurde die Aufbereitung des Materials mit recht zweifelhaftem Erfolg durchgeführt, in den anderen Bundesländern und vor allem in Wien aber als zwecklos eingestellt.
II. De Jodenbalans in Duitsland
II. DIE JUDENBILANZ IN DEUTSCHLAND
De volgende details over het aantal en de ontwikkeling
van de Joden in Duitsland zijn gebaseerd op officiële tellingsgegevens en andere statistieken van het Duitse Rijk, op wetenschappelijke berekeningen en ramingen,
hoewel zij grotendeels door de 'Reichsvereinigung der Juden in Deutschland' en door de religieuze gemeenschappen in Wenen en Praag werden aangebracht, die met
tellingen, telkaarten voor bevolkingsstatistieken en door extrapolatie van berekeningen en ramingen werkten. Deze Joodse bureaus werken onder de supervisie van het
RSHA (Reichssicherheitshauptamtes) en haar doelstellingen. Behalve de dubieuze gegevens over het aanvankelijke aantal Joden, zal blijken dat de 'Reichsvereinigung
der Juden in Deutschland' het betrouwbaarste werk levert. Gebaseerd op de statistieken die door dit bureau worden opgegeven en die door het RSHA tot dusver
konden worden gecontroleerd, kunnen de volgende conclusies over de ontwikkeling van Jodendom in Duitsland tussen de Machtsovername (30 jan. 1933) en 1 januari 1943
in Altreich [het Oude Duitse Rijk]; tussen maart 1938 en 1 januari 1943 in Oostenrijk; en tussen maart 1939 en 1 januari 1943, in het Protectoraat van
Bohemen en Moravië als volgt worden gemaakt:
Die folgenden Angaben über die Zahl und Entwicklung der Juden in Deutschland fußen auf den amtlichen Zahlen der Volkszählungen und sonstigen Erhebungen des Reiches und auf den Berechnungen und Schätzungen der Wissenschaft, sind aber in der Hauptsache von der Reichsvereinigung der Juden in Deutschland und von den Kultusgemeinden in Wien und Prag erstellt, die mit Zählungen, Zählkarten für die Bevölkerungsbewegung, Fortschreibung und daneben mit Berechnungen und Schätzungen arbeiten. Diese jüdischen Dienststellen arbeiten unter der Kontrolle des Reichssicherheitshauptamtes und für dessen Zwecke. Vom fraglichen Anfangsbestand der Juden abgesehen scheint die Reichtsvereinigung der Juden in Deutschland zuverlässig zu arbeiten. Aufgrund der an dieser Stelle gefertigten und vom Reichssicherheitshauptamt bislang überprüften Statistiken kann folgende Bilanz über die Entwicklung des Judentums in Deutschland von der Macht-ergreifung (30.1.1933) im Altreich, März 1938 in Österreich, März 1939 im Protektorat Böhmen-Mähren) bis zum 1.1.1943 gezogen werden:
Dit aantal van 2.649 Joden in Sudetenland werd bij de
volkstelling van 1939 vastgesteld. Voor de integratie van het Sudetenland in het Rijk bedroeg het aantal Joden ongeveer 3 .[onleesbaar] . die ondanks alles zeer
snel, zonder dat ze een staatsgrens moesten overschrijden en zonder verlies van bezit, het Protectoraat binnenstroomden.
x) Diese Zahl von 2 649 Juden im Sudetenland wurde bei der Volkszählung 1939 festgestellt. Vor Eingliederung des Sudetenlands ins Reich betrug die Judenzahl rund 3 . . die aber sehr rasch ohne Überschreitung einer Staatsgrenze und ohne Vermögensverluste ins Protektorat auströmten.
Deze balans omvat niet de onlangs verworven gebieden in het Oosten
(met uitzondering dan van Danzig). Hun definitieve aantallen kunnen niet nog worden bevestigd. Er zijn echter diverse ramingen betreffende de Joden in deze gebieden
op het tijdstip van hun integratie in het Duitse Rijk, en zij zullen waarschijnlijk tot een aantal van ongeveer 630.000 leiden, waarvan wij ongeveer 160.000 Joden
in het district van Bialystok en ongeveer 1.3 miljoen Joden in het Generalgouvernement op het tijdstip van haar oprichting moeten toevoegen.
Alles samen bevonden zich op het volledige Duitse gebied (exclusief de bezette oostelijke gebieden) aan het eind van 1939 een totaal aantal van ongeveer 2.5 miljoen
Joden, waarvan de overgrote meerderheid van die nieuwe aantallen Joden in het nieuwe Oosten worden gevonden.
In der Bilanz sind die neuerworbenen Ostgebiete (mit Ausnahme von Danzig) nicht enthalten. Ihre Bilanz kann noch nicht erstellt werden. Doch gibt es über die Juden in diesen Gebieten zur Zeit der Übernahme ins Reich verschiedene Schätzungen, die auf eine Zahl von etwa 630 000 hinführen dürften. Dazu kommen etwa 160 000 Juden im Bezirk Bialystok und rund 1,3 Millionen Juden im Generalgouvernement zur Zeit seiner Errichtung.x) Das würde zusammen im gesamtdeutschen Raum (ohne die besetzten Ostgebiete) Ende 1939 eine Gesamtzahl der Juden von etwa 2,5 Millionen ergeben x), deren weitaus größter Teil auf den neuen Osten entfällt.
x) Ohne Distrikt Lemberg mit rund 700 000 Juden.
Op 1 januari 1943 bevonden zich in het Duitse Rijk
- exclusief de oostelijke gebieden, exclusief het bejaardengetto van Theresienstadt, en exclusief de Arbeitseinsatz (arbeidsinzet) in het kader van de
Organisatie Schmelt - nog slechts 74.979 Joden waarvan 51.327 in het Altreich, 8.102 in de Ostmark, en 15.550 in het Protectoraat. In Altreich, met inbegrip van het
Sudetenland, blijft nog slechts 9,2 procent van de Joden over die daar vóór de annexatie woonden. Op 30 januari 1943 was hun aantal teruggelopen
tot slechts 48.242, of 8,6 procent; op 28 februari 1943, was het verder gedaald tot 44.589 of 7,9 procent.
Berlijn, waar in 1880 éénachtste van alle Joden van Duitsland woonden, meer dan een kwart in 1910, en bijna een derde in 1933, was de volledige Joodse bevolking van
Altreich op 1 januari 1943 verminderd tot 32.999 of 64,3 procent van voorheen; op 30 januari 1943 daalde hun aantal tot 30.121; op 28 februari 1943 was hun aantal
verder verminderd tot 27.281. In Ostmark wonen nog enkel in Wenen een aantal Joden.
Am 1.1.1943 zählt das Reich ohne die neuen Ostgebiete, ohne das Altersghetto Theresienstadt und ohne den Arbeitseinsatz im Rahmen der Organisation Schmelt nur mehr 74 979 Juden, davon 51 327 im Altreich, 8 102 in der Ostmark und 15 550 im Protektorat. Im Altreich mit Sudetenland sind nur mehr 9,2 vH der Zahl der Juden vom Tag der Machtübernahme vorhanden. Am 30.1.1943 beträgt ihre Zahl nur mehr 48 242 oder 8,6 vH, am 25.2.1943 gar nur mehr 44 589 oder 7,9 vH. Berlin, wo schon 1880 ein Achtel, 1910 über ein Viertel, 1933 fast ein Drittel der Juden Deutschlands wohnten, zählt am 1.1.1943 nicht weniger als 32 999 oder 64,3 vH der gesamten Juden des Altreichs, am 30.1.1943 noch 30 121, am 28.2.1943 noch 27 281. In der Ostmark weist nur mehr Wien überhaupt noch Juden auf.
Van de 51.327 Joden van het Altreich, zijn 23.197 mannen en
28.130 vrouwen. 40.351 zijn religieuze Joden; 10.976 zijn niet-religieuze Joden. 16.760 zijn gemengde huwelijken, in de Ostmark zijn dat er 4.803 (van de 8.102) en in
het Protectoraat 6.211 (op 15.550).
Von den 51 327 Juden des Altreichs sind 23 197 Männer und 28 130 Frauen. 40 351 sind Glaubensjuden, 10 976 sind Nichtglaubensjuden. 16 760 leben in Mischehe, in der Ostmark 4 803 (von 8 102), im Protektorat 6 211 (von 15 550).
III. Joodse volkszwakte
III. JÜDISCHE VOLKSSCHWÄCHE
De Joodse bevolking van Duitsland vertoont een buitengewone
toename van het aantal doden die niet enkel te wijten is aan de hoge mortaliteit maar ook aan de uitgesproken geboortearmoede. Aldus heeft zich de natuurlijke
bevolkingssamenstelling in het Altreich met het Sudetenland van 1933 tot 1942 als volgt ontwikkeld (in overeenstemming met de ramingen en data van de
Reichsvereinigung der Juden in Deutschland die, sinds de cijfers gebaseerd werden op de aantallen religieuze Joden, daardoor meer gecompliceerd en minder
betrouwbaar zijn):
Die Judenbilanz in Deutschland weist einen außerordentlichen Sterbeüberschuß auf, der nicht
allein durch die sehr hohe Sterblichkeit der Juden bedingt ist, sondern mehr noch durch die ausgesprochene Geburtenarmut. So hat sich die natürliche
Bevölkerungsbewegung im Altreich mit Sudetenland von 1933 bis 1942 folgendermaßen entwickelt (nach den Schätzungen und Unterlagen der Reichsvereinigung der Juden
in Deutschland, da die Auszählungen nach Glaubensjuden viel komplizierter und unzuverlässiger sind):
Vanaf de dag van de Machtsgreep (30 januari 1933) tot
1 januari 1943 bedroeg het sterfteoverschot van de Joden in het Altreich met het Sudetenland 61.693; dit stelt het resultaat voor van 14.921 geboorten en 76.114 doden.
De emigratie enerzijds en het gebrek aan gegevens over het aantal doden in de concentratiekampen anderzijds laten de cijfers zoals die door de
Reichsvereinigung der Juden in Deutschland werden opgegeven laten ruimte over voor vele fouten, hoedanook, ondanks de daling van de Joodse bevolking is een
vluchtig onderzoek voldoende om het vrij constante Joodse sterftecijfer te erkennen. Dat zou ons een Joods sterftecijfer van 80 85 per 1000 (vergeleken bij het
gemiddelde Europese sterftecijfer van 10 tot 15 per 1000) in 1942 geven. Daarenboven valt de daling van geboorten op, die de daling van de Joodse bevolking ver
overtreft. Het geboortecijfer van de Joden in het Altreich zou volgens deze berekeningen en 2 1/2 per 1000 in 1942 bedragen. Gelijkaardige cijfers in de Ostmark
waar tussen 3 maart 1938 en 1 januari 1943 15.188 Joodse doden tegenover 679 geboorten waren. Uiteindelijk werden in het Altreich slechts in december 1942 slechts
14 kinderen geboren en in januari en februari 1943 slechts 7 en 8 respectievelijk. Hier moet in overweging worden genomen dat het Jodendom dat in de beschaafde
Westelijke landen decennialang een laag geboortecijfer heeft gehad, zoals wordt aangetoond in de de confessionele geboortestatistieken. De Jood Felix Theilhaber
wees er in 'De ondergang van de Duitse Joden' (Untergang der deutschen Juden) uit 1911 dat dit cijfer enkel in balans werd gehouden door de constante aanvoer
van Joods bloed uit het Oosten. Dit fenomeen was slechts gedeeltelijk toe te schrijven aan de veroudering van Joden in belangrijke steden, hoofdzakelijk was
het een resultaat van de echte zwakheid van het Joodse ras.
De leeftijdsstructuur van de Joodse bevolking moet in overweging worden genomen wanneer men wil proberen
om het buitengewoon hoge Joodse sterftecijfer en hun laag geboortencijfer te begrijpen. Door het lange rondzwerven bestaat de samenstelling van de Duitse Joden
voornamelijk uit ouderen zoals ook blijkt in de oudersdoms grafieken en lijkt het in de woorden van de Reichsvereinigung der Juden in Deutschland meer
op een 'club' zoals dat objectief genomen ook het geval is. Er zijn te weinig kinderen en mensen in hun vruchtbare jaren terwijl de ouderen niet enkel evenredig
een groter deel van de bevolking uitmaken maar ook numeriek uit het grootste deel van de bevolking bestaat. Dit verklaart ook de oorzaak van het hoge zelfmoordcijfer
onder de Joden sinds zelfmoord het meeste voorkomt onder de ouderen.
Vom Tag der Machtergreifung(30.1.1933) bis 1.1.1943 beträgt der Sterbeüberschuß der Juden
im Altreich mit Sudetenland 61 693; er stellt das Ergebnis aus 14 921 Geburten und 76 114 Sterbefällen dar. Die Wanderungen einesteils, die in den ersten Jahren
fehlende und seitdem mangelhafte Erfassung vor allem der Sterbefälle in den Konzentrationslagern durch die Reichsvereinigung der Juden andernteils geben iher zwar für
viele Fehlerquellen Raum, doch läßt auch der ungefähre Überblick die trotz des Rückgangs der Judenzahl etwa gleichbleibende Höhe der Sterbefälle erkennen.
Die jüdische Sterblichkeit würde demnach 80-85(gegen 10 bis 15 im europäischen Durchschnitt) auf 1000 betragen(im KJahre 1942) Darüber hinaus fällt der Rückgang
der Geburten auf, der dem Rückgang der Judenzahl weit vorauseilt. Die Geburtenziffer der Juden im Altreich würde danach im Jahre 1942 nur mehr rund 2 1/2 auf 1 000
betragen. Ähnlich treffen in der Ostmark vom 1.3.1938 bis 1.1.1943 auf 15 188 jüdische Sterbefälle nur 679 jüdische Geburten. Im Altreich wurden schließlich im
Dezember 1942 nur mehr 14, im Januar und Februar 1943 nur mehr 7 bzw. 8 jüdische Kinder geboren. Es ist dabei zu berücksichtigen, daß das Judentum schon seit
Jahrzehnten in den zivilisierten abendländischen Staaten in der Kinderarmut voranging, wie sich an Hand der konfessionellen Geburtenstatistik ergab.
Der Jude Felix Theilhaber hat schon 1911 auf den daraus folgenden "Untergang der deutschenJuden" hingewiesen, der nur durch den dauernden Zustrom ostjüdischen
Blutes verdeckt wurde. Nur zum Teil hing diese Erscheinung mit der Überalterung des europäischen Großstadt-Judentums zusammen: In der Hauptsache handelte es sich um wirkliche Lebensschwäche.
Bei der heutigen außerordentlichen Sterblichkeit der Juden und ihrem Geburtentiefstand muß jedoch der äußerst ungünstige Altersaufbau der Juden mitberücksichtigt werden. Die Juden in Deutschland setzen sich nach der Abwanderung ihrer besten Jahrgänge größtenteils aus alten Leuten zusammen, sodaß ihr Altersaufbau bei graphischer Darstellung in Gestalt der Alterspyramide nach dem Stichwort der Reichsvereinigung der Juden der Form einer "Keule" gleicht, was objektiv zutrifft. Es mangeln die Kinder und die zeugungsfähigen Jahrgänge, während die Jahrgänge der alten Leute nicht nur verhältnismäßig zu stark sind, sondern auch rein zahlenmäßig viel stärker sind als die jüngeren Jahrgänge. Daraus entspringt auch z.T. die stark überhöhte Selbstmordziffer der Juden, da der Selbstmord überwiegend eine Todesart der alten Leute ist.
IV. De emigratie van de Joden uit Duitsland
IV. DIE AUSWANDERUNG DER JUDEN AUS DEUTSCHLAND
De emigratie van de Joden vanuit Oost- naar
Centraal- en West-Europa en naar overzees Europa naar de Verenigde Staten van Amerika is een fenomeen dat voor decennia wordt waargenomen. Vele Joden emigreerden
vanuit Duitsland, hoofdzakelijk tussen 1840 en 1870, niettegenstaande konden deze emigratiegolven alles behalve de nieuwe economische mogelijkheden van het Duitse
Rijk doen stoppen. In plaats daarvan begonnen de Duitsers te emigreren. De Joodse emigratie vanuit Duitsland na 1933, in zekere mate een voortzetting van de onderbroken
emigratie van 1870, trok de aandacht van de volledige beschaafde wereld, in het bijzonder die van de door de Joden geregeerde democratieën. Er werden door verscheiden
groepen pogingen gedaan om, gebruikend makende van verschillende methodes, deze emigratie numeriek en structureel te classificeren, maar er werden geen eensluidende
resultaten verkregen. De statistieken van de Duitse emigratie, de cijfers van de Reichsvereinigung der Juden in Deutschland en van de
Joodse Godsdienstige Centra in Praag en Wenen, de buitenlandse statistieken, de berekeningen en de ramingen, de statistieken van het Internationale Jodendom en
de cijfers van wetenschappelijke studies laten een grote variatie zien.
Prof. Zielenziger van Amsterdam berekende een emigratie van 135.000 tussen de Machtsgreep en het einde van 1937, daartegenover de lijst van de
Reichsvereinigung der Juden in Deutschland een cijfer opgeeft van 203.000. Deze emigratie steeg aanzienlijk na 1938 maar hield met het verbod van Joodse
emigratie in de herfst van 1941 (op een paar uitzonderingen per maand na) bijna helemaal op. De Reichsvereinigung der Juden in Deutschland en de Joodse
Godsdienstige Centra van Praag en Wenen geven op hun lijst de volgende hoge emigratiecijfers (met inbegrip van dubbeltellingen):
Die Wanderung der Juden aus Ost- nach Mittel- und West-europa und aus ganz Europa nach Übersee und hier wieder in erster Linie nach den Vereinigten Staaten von Nordamerika ist eine seit Jahrzehnten allgemein beobachtete Erscheinung. Aus Deutschland wanderten vor allem von 1840-1870 sehr viele Juden aus, doch nach 1870 hörte ihre Auswanderung fast völlig auf. Dafür wanderten nun die Deutschen aus. Die jüdische Auswanderung aus Deutschland seit 1933, gewissermaßen ein nachholen der 1870 unterbliebenen Bewegung, erregte die besondere Aufmerksamkeit der gesamten zivilisierten Welt, besonders der jüdisch regierten demokratischen Länder. Die Zahl und Struktur der Auswanderer wurde von verschiedensten Seiten und mit verschiedensten Methoden zu erfassen versucht. Doch gelangte man zu keinen einheitlichen Ergebnissen. Die Zahlen der deutschen Auswanderungsstatistik,jene der Reichsvereinigung der Juden in Deutschland und der israelitischen Kultusgemeinden in Wien und Prag, die zahlreichen ausländischen Erfassungen, Berechnungen und Schätzungen, die Statistiken des internationalen Judentums und die Zahlen wissenschaftlicher Untersuchungen weichen sehr stark voneinander ab.
So rechnete Prof. Zielenziger-Amsterdam mit einer Zahl von 135 000 Auswanderern von der Machtergreifung bis Ende 1937, die Reichsvereinigung der Juden mit 203 000 Auswanderern. Seit 1938 ist die Auswanderung noch beträchtlich angestiegen, endete aber fast restlos(bis auf einige wenige Ausnahmefälle je Monat) durch das Verbot der jüdischen Auswanderung im Herbst 1941. Die Reichsvereinigung der Juden und die israelitischen Kultusgemeinden in Wien und Prag kamen bis 1.1. 1943 zu folgenden hohen Auswanderungszahlen (einschl.Doppelzählungen):
De aanvankelijk koortsachtige emigratie sluit de
mogelijkheid om nauwkeurige cijfers te verkrijgen uit. Ook moet rekening worden gehouden dat de emigratiebestemmingen, voor zover het om Europese bestemmingen
ging, het hier meestal om slechts tijdelijke tussenstops gaat. Van de emigranten vanuit het Altreich trokken er ongeveer 144.000 ging naar andere Europese landen,
57.000 naar de V.S., 54.000 naar Zuid-Amerika, 30.000 naar Centraal-Amerika, 53.000 naar Palestina, 15.000 naar Afrika (hoofdzakelijk Zuid-Afrika), 16 000 naar Azië
(China) en 4.000 naar Australië. Van 344.000 die ooit naar andere Europese landen gingen emigreerden er 32.000 naar Engeland, 39.000 naar Polen of naar het
Generalgouvernement, 18.000 naar Frankrijk, 8.000 naar Italië, 7.500 naar Nederland en 6.000 naar België. Men kan er vanuit gaan dat het grootste deel van deze
emigranten uit deze landen verder emigreerden naar overzeese bestemmingen. Voor de Joodse emigratie vanuit de Ostmark werden volgende cijfers vermeld: 65.000
naar andere Europese landen, 50.000 naar Amerika, 20.000 naar Azië, 9.000 naar Palestina, 2.000 naar Australië en 2.600 naar Afrika.
Die anfangs überstürzte Auswanderung machte genaue Angaben überhaupt unmöglich. Ebenso dürfte das angegebene Auswanderungsziel, soweit es sich um europäische Länder handelt, vielfach nur als Zwischenstation zu betrachten sein. Von den Auswanderern aus dem Altreich gingen rund 144 000 nach anderen europäischen Ländern, rund 57 000 nach USA, 54 000 nach Südamerika, 10 000 nach Mittelamerika,
53 000 nach Palästina, 15 000 nach Afrika(vor allem Südafrika), 16 000 nach Asien(China), 4 000 nach Australien. Von den 144 000 nach europäischen Ländern ausgewanderten
Juden gingen allein über 32 000 nach England, 39 000 nach Polen bzw.ins General-gouvernement, 18 000 nach Frankreich, 8 000 nach Italien, 7 500 nach den Niederlanden,
6 000 nach Belgien. Es ist anzunehmen, daß der größte Teil dieser Auswanderer von diesen Ländern nach Übersee weitergezogen. Für die jüdischen Auswanderer aus der
Ostmark werden folgende Ziele angegeben: 65 500 nach europäischen Ländern, 50 000 nach Amerika, 20 000 nach Asien, 9 000 nach Palästina, 2 600 nach Afrika, 2 000 nach Australien.
V. De evacuatie van de Joden
V. DIE EVAKUIERUNG DER JUDEN
De evacuatie van de Joden verving, op zijn minst op het
grondgebied van het Duitse Rijk, de Joodse emigratie. Deze evacuatie werd, na het verbod van Joodse emigratie in de herfst van 1941, op grote schaal voorbereid
en vanaf 1942 op het volledige grondgebied van het Duitse Rijk uitgevoerd. In de Joodse statistieken verschijnt deze evacuatie onder de rubriek „emigraties“. Volgens
de cijfers van het RSHA (Reichssicherheitshauptamt) was het volgende aantal Joden per 1 januari 1943 'geëmigreerd':
Die Evakuierung der Juden löste, wenigstens im Reichsgebiet, die Auswanderung der Juden ab.
Sie wurde seit dem Verbot der jüdischen Auswanderung ab Herbst 1941 in großem Stile vorbereitet und im Jahre 1942 im gesamten Reichsgebiet weitgehend durchgeführt.
In der Bilanz des Judentums erscheint sie als "Abwanderung". Bis 1.1.1943 wanderten nach den Zusammenstellungen des Reichssicherheitshauptamtes ab:
Deze cijfers omvatten ook de bejaarde Joden die naar het
getto van Theresienstadt werden geëvacueerd. De cijfers voor de evacuaties vanuit het grondgebied van het Duitse Rijk met inbegrip van de Oostelijke Gebieden en
ook van gebieden die onder Duitse controle of invloed stonden, bestrijken de periode tussen oktober 1939 en 30 december 1942:
In diesen Zahlen sind auch die ins Altresghetto Theresienstadt evakuierten Juden enthalten. Die gesamten Evakuierungen ergaben im Reichsgebiet einschl. Ostgebieten und darüber hinaus im deutschen Macht- und Einflußbereich in Europa von Oktober 1939 oder später bis zum 31.12.1942 folgende Zahlen:
De bovengenoemde cijfers zijn de Joden in getto's en
concentratiekampen niet inbegrepen. De evacuaties van de Joden afkomstig uit Slowakije en Kroatië werden uitgevoerd door deze landen zelf.
In den obigen Zahlen sind nicht enthalten die Insassen der Ghettos und der Konzentrationslager. Die Evakuierungen aus der Slowakei und aus Kroatien wurden von diesen Staaten selbst in Angriff genommen.
VI. De Joden in de getto's
VI. DIE JUDEN IN DEN GHETTOS
Hier worden volgende gegevens vermeld:
1. De bejaarde Joden die naar het getto van Theresienstadt werden geëvacuurd: 87.193 Joden, waarvan 47.471 afkomstig zijn vanuit het Grondgebied van het Duitse Rijk
(waarvan 14.222 uit de Ostmark) en 39.722 vanuit het Protektorat. Aan het begin van 1943 waren er in het toaal 49.392 Joodse inwoners. Daarvan waren er 24.313 Duitse
staatsburgers en 25.079 die in het Protekotorat woonden. De daling van deze cijfers valt hoofdzakelijk toe te schrijven aan sterfgevallen.
Naast Theresienstadt waren er op het grondgebied van het Duitse Rijk een aantal Joodse bejaardentehuizen en ziekenhuizen voor invaliden met een veel kleinere capaciteit,
die noch als getto's noch als evacueringscentra werden aanzien.
2. Het getto Litzmannstadt [Lodz] telde in het begin van 1943 een Joodse bevolking van 87.180. Daarvan zijn 83.133 van vroegere Poolse origine.
3. De cijfers voor de rest die van de Joodse bevolking, die hoofdzakelijk in de resterende getto's in het Generalgouvernement leefden, werden vanaf 31 december 1942
vermeld of geschat op:
Es sind hier zu nennen:
1. Das Altersghetto Theresienstadt, dem insgesamt zugeführt
wurden:
87 193 Juden, davon aus dem Reichsgebiet: 47 471 (Ostmark 14 222) und Juden, davon aus dem Protektorat: 39 722.
Es zählt zu Beginn des Jahres
1943 insgesamt an jüdischen Insassen: 49 392
davon mit deutsch.Staatsangehörigk.: 24 313 und Protektoratsangehörigkeit: 25 079
Die Verminderung trat
vor allem durch Sterbefälle ein. Außer Theresienstadt gibt es im Reichsgebiet eine Anzahl von jüdischen Alters- und Siechenheimen mit kleinerem Fassungsvermögen,
die aber weder als Ghettos noch als Evakuierungsorte angesehen werden.
2. Das Ghetto Litzmannstadt zählt Anfang 1943: 87 180 Juden, davon 83 133 mit
ehem. polnischer Staatsangehörigkeit.
3. Die überwiegend in Rest-Ghettos untergebrachten Juden des Generalgouvernements werden für 31.12.1942 folgendermaßen
angegeben bzw. geschätzt:
VII. De Joden in de concentratiekampen
VII. DIE JUDEN IN DEN KONZENTRATIONSLAGERN
Vanaf de Machtsgreep tot 31 december 1942 werden 73.417 Joden afgeleverd aan concentratiekampen, hiervan werden er 36.943 opnieuw vrijgelaten en 27.347 zijn gestorven
wat een saldo-overschot geeft op 31 december 1942 van 9.127 Joden.
Hier moet opgemerkt worden dat een groter aantal Joden werden binnengebracht dan het aantal binnengebrachte Joden dat door de concentratiekampen worden opgegeven, omdat
het hier Joden meer dan eens werden geteld. De Joden in de evacuatieposten van Auschwitz en Lublin zijn niet inbegrepen in deze cijfers. De concentratiekampen
geven de volgende cijfers, die opgedeeld werden volgens het aantal binnengebrachten, vrijlatingen, sterfgevallen en het resterend bevolkingstal
op 12 december 1942, als volgt te zien:
In den Konzentrationslagern erfolgten von der Machtergreifung bis zum 31.12.1942: 73 417
Einlieferungen von Juden; davon wurden entlassen: 36 943; sind durch Tod abgegangen: 27 347; Restbestand vom 31.12.42: 9 127 Juden
Es ist hier zu beachten, daß die Zahl der Einlieferungen von Juden größer sein wird als die Zahl der in die Konzentrationslager eingelieferten Juden, da wiederholte
Einlieferungen eines Juden wiederholt zählen. Nicht enthalten sind die im Zuge der Evakuierungsaktion in den Konzentrationslagern Auschwitz und Lublin untergebrachten Juden. Nach Konzentrationslagern ergeben sich,
untergeteilt nach Einlieferungen, Entlassungen, Todesfällen und dem Bestand vom 31.12.1942, folgende Zahlen:
VIII. Joden in strafinrichtingen
VIII. JUDEN IN JUSTIZVOLLZUGSANSTALTEN
Aan het begin van het jaar 1943 waren 458 Joden uit het
Rijksgebied in strafinrichtingen opgesloten. Mannen en vrouwen werden volgens de aard van hun straf ingedeeld in 'Gestraften', 'Voorlopige hechtenis' en
'Arbeidshuis':
Zu Beginn des Jahres 1943 saßen in Justizvollzugsanstalten des Reichsgebietes 458 Juden ein, die sich auf Männer und Frauen und auf Arten des
Strafvollzugs folgendermaßen verteilen:
IX. De arbeidsinzet van de Joden
IX. DER ARBEITSEINSATZ DER JUDEN
Aan het begin van 1943 waren er op het grondgebied van het
Duitse Rijk 185.776 Joden ingezet in arbeidsprojecten met betrekking tot de oorlogsinspanning. Zij waren als volgt verdeeld:
1) Binnen het controlebereik van de Sicherheitspolizei und des SD (de Duitse Veiligheidspolitie en de Veiligheidsdienst), maar zonder Posen en zonder de Russische Joden, waren
er 21.659 Joden ingezet. Van deze hadden 18.546 de Duitse nationaliteit, 107 afkomstig uit het Protectoraat, 2.519 statenloze en 487 vreemdelingen.
Zij zijn als volgt verdeeld binnen het Controlebereik (zonder Posen):
In kriegswichtigem Arbeitseinsatz waren zu Beginn des Jahres 1943 im Reichsgebiet tätig
185 776 Juden
Davon waren eingesetzt:
1) innerhalb der Inspekteur-Bereiche der Sicherheitspolizei und des SD (ohne Posen und ohne sowjet-russische Juden) 21 659, davon 18 546 mit deutscher Staatsangehörigkeit, 107 mit Protektoratsangehörigkeit, 2 519 Staatenlose und 487 Ausländer. Sie verteilten sich nach Inspekteur-Bereichen(ohne Posen) folgendermaßen:
2) Binnen het Controlebereik van Koningsbergen (Königsberg)
bevonden zich 18.435 vreemdelingen, waarvan de meeste Joden afkomstig waren vanuit de Sovjet-Unie.
3) Binnen het controlebereik in de getto's en de concentratiekampen werden 95.112 hoofdzakelijk Poolse Joden in dienst
4) In het raam van de Organisatie Schmelt (Breslau) werden 50.570 Joden ingezet waronder 42.382 statenloze en 8.188 buitenlanders.
2) im Inspekteur-bereich Königsberg außerdem 18 435 ausländische, d.h.fast
ausschließlich sowjet-russische Juden.
3) im Inspekteur-Bereich Posten im Ghetto- und Lagereinsatz 95 112 hauptsächlich polnische Juden.
4) im Rahmen der Organisation Schmelt (Breslau) 50 570 Juden, davon 42 382 Staatenlose und 8 188 Ausländer.
X. Balans van de Europese Joden
X. EUROPÄISCHE JUDENBILANZ
De ineenstorting van Europees Jodendom begon decennia geleden
met de ontaarding van het Joodse ras in de steden enerzijds en de Joodse emigratie anderzijds. In 1927 lichtte de Joodse statisticus Lestschinsky de daling
van het Europese Jodendom als volgt nader toe: "In het begin van de 19de eeuw leefde 85 % van de Joodse bevolking van de wereld in Europa, waarvan 80% van de Joden
in Rusland, Oostenrijk-Hongarije en Duitsland woonden. Op dat ogenblik waren er slechts 2- tot 3.000 Joden in Amerika. In het jaar 1925 woonde 63 % van alle Joden
in Europa, waarvan slechts 57% van het gezamelijke Jodendom binnen de grenzen van Duitsland, Rusland en het Oostenrijks-Hongaarse Rijk woonden. 30% van de Joden
woonden in Amerika en 7% verspreid in de overige werelddelen.
Volgens de berekeningen van het Statistischen Reichsamts (Bureau van het Duitse Rijk voor de Statistiek), vertegenwoordigde Europa in 1880 Europa
88,4 % van de totale Joodse wereldbevolking, in 1937 slechts 60,4 %. In 1943 zou slechts 1/3 van de Joodse wereldbevolking in Europa wonen. Hierna
volgt een lijst van de Joodse bevolking in sommige belangrijke Europese landen per 1930:
Der Zusammenbruch des europäischen Judentums wurde schon vor Jahrzehnten durch den
völkischen Verfall des europopäischen Großstadt-Judentums einesteils, durch die jüdische Auswanderung andernteils eingeleitet. Der jüdische Statistiker Lestschinsky
hat den Rückgang des Judentums in Europa im Jahre 1927 folgendermaßen verdeutlicht: "Zu Anfang des 19. Jahrhunderts lebten in Europa 85 % und allein in Rußland,
Österreich-Ungarn und Deutschland 80 % aller Juden; in Amerika gab es zu jener Zeit nur 2 - 3 000 Juden. Im Jahre 1925 waren 63 % aller Juden in Europa ansässig,
innerhalb der Grenzen Deutschlands, Österreich-Ungarns und Rußlands lebten nur noch 57 % des Gesamtjudentums, in Amerika dagegen lebten 30 %, in den übrigen
Weltteilen 7 % ".
Nach Berechnungen des Statistischen Reichsamts betrug der Judenanteil Europas im Jahre 1880 sogar 88,4 vH, im Jahre 1937 nur mehr 60,4 vH. 1943
dürfte der europäische Anteil noch 1/3 des Weltjudentums betragen. Um 1930 und in den letzten Jahren betrug die Zahl der Juden in einigen wichtigeren
Staaten Europas:
De totale Joodse bevolking van de wereld werd in 1937 geschat op 17 miljoen. Hiervan, woonden meer dan 10 miljoen in Europa. Zij woonden of wonen in Europa
en waren voornamelijk geconcentreerd in de Duitse bezette gebieden, voormalige Russische en Poolse gebieden, gelegen tussen de Baltische Zee, de Golf van Finland,
de Zwarte Zee en de Zee van Azov, en in de handelscentra van Centraal- en West-Europa, langs de Rijn en langs de kusten van de Middellandse Zee.
Die Gesamtzahl der Juden auf der Erde schätzt man um das Jahr 1937 im allgemeinen auf rund
17 Millionen, wovon über 10 Millionen auf Europa entfallen. Sie häufen bzw. häuften sich in Europa vor allem in den von Deutschland besetzten früheren
polnisch-russischen Gebieten zwischen Ostsee und Finnischem Meerbusen und dem Schwarzen und Asowschen Meer, daneben in den Handelsmittelpunkten und im Rheingebiet
Mittel- und Westeuropas und an den Küsten des Mittelmeers.
Tussen 1937 en het begin van 1943 zou de Joodse bevolking van Europa naar schatting met 4 miljoen moeten verminderd zijn, gedeeltelijk wegens buitengewone mortaliteit
van de Joden in Centraal- en West-Europa en gedeeltelijk wegens de evacuaties, hoofdzakelijk vanuit de Oostelijke gebieden, die hier in de als daling werden mee geteld.
Verder was het niet mogelijk om alle sterfgevallen van de Sovjet Russische Joden op de bezette Oostelijke Gebieden te tellen terwijl die in het resterende Europese
deel van Rusland en die aan het front helemaal niet zijn begrpen. Daarnaast zijn er de massa's Joden die vanuit Europees Rusland naar Aziatisch Rusland zijn gevlucht
en de emigratie van Joden naar het buitenland vanuit de Europese landen die niet onder Duitse invloed staan waarvan hun aantallen grotendeels onbekend zijn.
Alles samen genomen moet het Europese Jodendom, sinds 1933 en dat tijdens het eerste decennium onder het Nationaal-socialistische bewind, nagenoeg met de helft verminderd zijn.
Von 1937 bis Anfang 1943 dürfte die Zahl der Juden in Europa teils durch Auswanderung,
teils durch den Sterbeüberschuß der Juden in Mittel- und Westeuropa, teils durch die Evakuierungen vor allem in den völkisch stärkeren Ostgebieten, die hier als
Abgang gerechnet werden, um schätzungsweise 4 Millionen zurückgegangen sein. Dabei darf nicht übersehen werden, daß von den Todesfällen der sowjetrussischen Juden
in den besetzten Ostgebieten nur ein Teil erfaßt wurde, während diejenigen im übrigen europäischen Rußland und an der Front überhaupt nicht enthalten sind.
Dazu kommen uns unbekannte Wanderungsströme der Juden innerhalb Rußlands in den asiatischen Bereich hinüber. Auch der Wanderungsstrom der Juden aus den
europäischen Ländern außerhalb des deutschen Einflusses ist eine weitgehend unbekannte Größe. Insgesamt dürfte das europäische Judentum seit 1933, also im ersten
Jahrzehnt der nationalsozialistischen deutschen Machtentfaltung, bald die Hälfte seines Bestandes verloren haben.
|