
Afbeelding hiernaast: Rede van Joseph Goebbels van
18 februari 1943 in het Berlijnse Sportpalast "Der totale Krieg"
Oologsroman in klein Italiaans stadje in de heuvels. Voor in het boek staat vermeld: Op deze plaats wil de firma
Francesco Cinzano & Cia aan de bevolking van
Santa Vittoria haar waardering en erkentelijkheid betuigen voor de prachtige blijken van lotsverbondenheid met Cinzano en de opofferingsgezindheid getoond
in het droevige oorlogsjaar 1943, waarin de in het boek omschreven gebeurtenissen zich hebben afgespeeld.
Santa Vittoria is niet bestaand stadje, ver afgelegen van de rest van het oorlogszuchtige Italië, waarvan de burgers onder leiding van hun wijnlievende burgemeester
Bombolini, samenzweren om de Duitse bezetters te beletten dat zij hun enige schat, hun fabuleurze wijnkelders, zouden vinden een confisceren. Dat alle
inwoners van het fictieve Italiaans bergstadje, van hoog tot laag en van groot tot klein, zelfs onder de meest gruwelijke bedreigingen van de
Duitse bezetters hun geheim bewaarden, is een opmerkelijke zaak. Misschien vindt men een verklaring in de omstandigheid dat het om wijn ging, om hun wijn,
en wel niet om zo'n klein beetje maar om een miljoen flessen.
Met dit spectaculaire gegeven is echter het wereldsucces van 'Het geheim van Santa Vittoria' niet verklaard; zelfs de recensies op de andere omslagflap
doen dat niet. En als u dit boek uit hebt, geachte lezer, kunt u ook uw beste vriend niet duidelijk maken waarom u er zo intens van hebt genoten.
Een verfilming van deze schitterende roman kon niet lang uitblijven. The Secret of Santa Vittoria werd in 1969 verfilmd door Stanley Kramer met in de hoofdrollen
ondermeer Anthony Quinn (als burgemeester Italo Bombolini) in één van zijn beste vertolkingen ooit, Hardy Krüger (als de Duitse kapitein von Prum), Anna Magnani (Rosa) en Giancarlo Giannini (Fabio). De
filmprent werd genomineerd voor een Oscar en won de Golden Globe voor beste film.
Synopsis door
Wim Jansen:
Crichton legt uit hoe hij in 1962 in het plaatsje Montefalcone vlak bij Santa Vittoria een manuscript kreeg toegespeeld door de daar wonende Italo-Amerikaan
Roberto Abruzzi. Deze had, zoals later uit het boek blijkt, in 1943 als bommenrichter in een B-24 een missie boven Italië gevlogen. In geestelijke nood geraakt
door de dood en verderf die de door hemzelf losgelaten bommen rondzaaiden, had hij zijn parachute omgegespt en was hij door zijn nog open staande bommenluik
naar buiten gesprongen om op deze originele manier een punt te zetten achter zijn eigen bijdrage tot de oorlogvoering. Na enige omzwervingen wist hij zich
in Santa Vittoria te verbergen, voor de fascisten als geallieerd soldaat, voor de oprukkende Amerikanen als deserteur.

De hoofdrolspeler is de wijnhandelaar en voormalige clown Italo Bombolini. Toen het gerucht in de streek rondging dat de duce was verdreven en vermoord,
was de Mussolini-aanhanger Italo op de plaatselijke watertoren geklommen om met een publieke zelfmoordsprong boete te doen voor zijn verkeerde keuze, maar
Fabio (de enige student die het dorp had voortgebracht en uiteraard verliefd op Italo’s schone dochter Angela) was hem nageklommen om hem te redden.
Italo laat zich ompraten en in de onzekerheid die volgt op het gerucht van de dood van de duce, worden de burgemeester Vittorini en zijn fascistische
trawanten door het volk aan de voet van de watertoren uit hun ambt ontzet en wordt Italo tot de eerste postfascistische burgemeester benoemd. Vittorini
moest zijn nederlaag toegeven en zijn toespraak werd door de mensen op de piazza weliswaar niet begrepen, “maar zij luisterden er desondanks met genoegen naar,
omdat het zo mooi klonk.”
Italo laat natuurlijk alle verdachte straten en pleinen omdopen (zo wordt Piazza Mussolini nu Piazza Matteotti), maar met de Via D’Annunzio had men een
probleem. Niemand, inclusief de student Fabio, kon op de naam van een vervangende dichter komen. Daarom werd dit dan maar de Straat van de Schrijver van
I Promessi Sposi. De titel van dat boek was ergens blijven hangen, maar ook hiervan kende niemand de auteur meer.
Na de geallieerde landingen in Salerno (8 september 1943) trekken de Duitsers naar het noorden en in Santa Vittoria vestigt zich een piepklein groepje
militairen onder commando van Hauptmann Von Prum, kleinzoon van de Pruisische edelman Schmidt von Knoblesdorf (ondanks de spelling familie van onze vorige
penningmeester?). Om de bevolking te imponeren schieten zij bij aankomst met een oud stuk veldartillerie het Cinzano-bord boven op het gebouw van de
wijncoöperatie kapot: één van de zeldzame keren dat Cinzano met naam in het boek genoemd wordt. De rest van het verhaal draait om de truc waarmee de
bevolking van Santa Vittoria hun wijnvoorraad behoedt voor inbeslagname door de Duitse bezetter. Dit geheim van Santa Vittoria blijft tot het eind toe
bewaard (en ik zal er ook over zwijgen), ondanks het feit dat Von Prum een team specialisten van de SS inhuurt om enkele uitverkorenen te laten martelen en
de dorpsschoenlapper te laten fusilleren (dit in goed onderling overleg met het slachtoffer die toch al terminaal ziek was).
Slimme, een beetje naïeve Italiaanse boeren, overmachtige maar rechtlijnige en domme Pruisen: van zulke stereotypen wemelt het in het boek. Tekenend zijn
de woorden die Von Prum in de mond gelegd worden: “Ik ben van plan om hier als een verlicht despoot te heersen, maar om verlicht te kunnen zijn, dient men
zich eerst als despoot te gedragen.” Als een ware Herr Von Flick avant la lettre (wie een zwak heeft voor de onverwoestbare televisieserie ‘Allo,’Allo!
weet wie ik bedoel): “De zwakken zijn verplicht om fatsoenlijk te zijn, terwijl de sterken dit uit eigen vrije wil kunnen zijn. Komende week ben ik van
plan uit vrije wil fatsoenlijk te zijn.” Naast de stereotiepe good guys tegenover de bad guys bij de oorlogvoerende partijen is er ook een vete tussen
Santa Vittoria en het nabuurdorp Scarafaggio (Kakkerlak), die doet denken aan uitgekauwde rivaliteiten als tussen Amsterdam en Rotterdam of tussen Turijn
en Milaan. De Santa Vittorianen menen dat de ‘kakkerlakken’, die geen behoorlijke klokkentoren hebben, al vijftig jaar lang het klokgelui van het op
hoorafstand liggende Santa Vittoria stelen, reden waarom ze hun klokken van klepels van kurk voorzien, zodat de klokslagen alleen nog als doffe klappen in
Santa Vittoria zelf te horen zijn. De namen van verschillende figuranten hebben een doorzichtige symboliek: Bombolini rijmt op Mussolini en de dorpspastoor
heet padre Polenta (“een ordinaire meelspijs, die de boeren in het noorden eten. Hier wordt het beschouwd als varkensvoer”).