Synopsis
Afbeelding hiernaast: Boekomslag van de oorspronkelijke engelstalige uitgave uit 1971
Abba Salomon Eban (2 februari 1915-16 november 2002) was een Israëlisch diplomaat, politicus, historicus en schrijver. Hij was een intelligente en intellectuele
diplomaat, een goed communicator en trachtte wereldwijd inzicht te geven in de geschiedenis en belangen van het Joodse volk. Al op jonge leeftijd werd hij door
zijn ouders meegenomen naar Engeland. Daar overleed zijn vader, waarna zijn moeder hertrouwde met Isaac Eban. Eind dertiger jaren begon hij zijn studie klassieke
en oriëntaalse talen aan de Universiteit van Cambridge, waar hij een briljante student bleek te zijn. Na zijn afstuderen bleef hij nog enige tijd aan als
'fellow' en lector aan de universiteit verbonden en doceerde Hebreeuwse, Arabische en Perzische literatuur. In Engeland kwam Abba ook in aanraking met de
zionistische beweging, waarin hij actief werd.
In 1939 moest Eban in dienst. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij als stafofficier van het Britse hoofdkwartier in Caïro gestationeerd. Later werd hij
gedetacheerd in Jeruzalem, waar hij als verbindingsofficier fungeerde op het geallieerde hoofdkwartier. Na afloop van de oorlog trad Eban in dienst van de
zionistische organisatie Jewish Agency. In 1948 werd de staat Israël uitgeroepen en in 1949 kreeg Eban de leiding over de eerste Israëlische delegatie bij de
Verenigde Naties in New York. Daar bleef hij vervolgens tot 1959 als permanent vertegenwoordiger van Israël bij de Verenigde Naties. Daarnaast was hij van 1950
tot 1959 ambassadeur in de Verenigde Staten.
In 1959 verhuisde hij naar Israël, waar hij werd gekozen als lid van de Knesset, het Israëlische parlement, als vertegenwoordiger van de Mapai-partij. In
datzelfde jaar werd hij minister zonder portefeuille en in 1960 minister van onderwijs en cultuur in het kabinet van David Ben-Gurion. In 1963 werd hij
vicepremier onder Levi Esjkol. Van 1966 tot 1974 was Eban minister van Buitenlandse Zaken. In die periode maakte hij de twee grootste oorlogen van het nieuwe
Israël mee: de Zesdaagse oorlog van 1967 en de Jom Kipoeroorlog van 1973. In zijn functie moest hij Israëls politieke en militaire standpunt in de wereld
vertegenwoordigen en verdedigen, iets wat hij met veel verve deed. In 1974 werd Eban lid van de Parlementaire Commissie voor Buitenlandse Zaken en Defensie
en in 1984 voorzitter van diezelfde commissie. In 1988 verliet hij de Knesset. Eban was lid van de Amerikaanse Academie van Wetenschappen. Hij schreef verschillende boeken, waaronder
Mijn Volk - De geschiedenis der Joden (1968) het eerste was. Ander boek van Abba Eban op Verzet.org:
Mijn Land. De geschiedenis van het moderne Israël
Bron: Wikipedia.nl
Het boek Mijn Volk is een getuigenis. Abba Eban
tracht aan een wereld, die de joden van oudsher begrip en erkenning heeft onthouden, zijn volk te verklaren. De man, die zich met zijn diepste wezen betrokken voelt bij
de merkwaardige lotgevallen van zijn volk, ziet slechts een weg om bij de niet-joodse wereld begrip te wekken: haar vertrouwd te maken met de geschiedenis van de joden.
De staatsman, geleerde, filosoof en historicus Abba Eban verstaat als geen ander de kunst het verleden tot leven te wekken. De lezer wordt getuige van de grootse en aangrijpende geschiedenis van een klein volk, dat anders is als alle andere volken, en door zijn geschiedenis her menselijk bestaan diepgaand heeft beinvloed. Hij beleeft opnieuw her drama van Abraham - de tijd van het eerste Verbond; de wetgeving van Mozes; de visie der Profeten; de verschrikkelijke mars van de Romeinse legioenen; de nooit
vergeten schaduwen van de ballingschap; de luister van de Verlichting; de onbeschrijfelijke agonie van Auschwitz en het triomfantelijk herstel in een overgeërfd recht.
Vele culturen trekken aan zijn oog voorbij vanaf de oude tijden tot 1968 en in 1971 bij de heruitgave opnieuw door de auteur bijgewerkt. de Kanaänitische, de Assyrische, de Griekse en Romeinse, de Christelijke, Arabische, Europese, Amerikaanse en
tenslotte die van het moderne Israël, dat in onze dagen het middelpunt van de joodse wereld is. De lezer krijgt inzicht in de denkwereld en het eigen karakter van
het joodse volk en hij wordt geboeid door Abba Ebans meeslepende beschouwingen over het wonder van Israëls voortbestaan van de oudheid tot de moderne tijd.
Op blz.
126 en 127 beschrijft Abba Eban een vrij onbekende periode in de geschiedenis van het Jodendom in de Diaspora: Het Koninkrijk van de Chazaren (Chazaria).
Het rijk van de Chazaren bestond in Oost-Europa (zie kaart hieronder) en kende haar bloeiperiode tussen 650 en 1016 n.Chr.
De Chazaren
Abba Eban: "De geschiedenis der Chazaren is een ander, misschien nog te weinig bekend, voorbeeld van deze ervaringen. Deze geschiedenis heeft geleerden bezig gehouden sinds
zij in het Westen bekend werd door de vertaling in 1660 van de Koezari van Jehoeda Halevi (1080-1145) in het Latijn. De Koezari is een gefingeerde wijsgerige dialoog tussen de
vorst der Chazaren en een rabbijn; hieraan is toegevoegd de briefwisseling tussen Chasdai ibn Sjaproet (915-970) en de vorst der Chazaren, Jozef. Uit deze en andere bronnen,
in het bijzonder mededelingen door Arabieren en joden uit Constantinopel in de
tiende eeuw, verkrijgt men het volgende beeld: Tijdens een volksverhuizing in de
vijfde eeuw vestigde een Turkse stam, de Chazaren, zich aan de Kaspische Zee.
Vandaar verbreidden delen van deze stam zich westwaarts naar de Zwarte Zee om
daar een `steppenrijk' te vormen, een landbrug waarlangs rondreizende kooplieden
trokken, en tevens in de achtste eeuw een bufferstaat in de oorlogen tussen Byzantium en de opdringende moslems. Ingeklemd tussen de islam en het christendom,
bekeerde het vorstenhuis der Chazaren zich klaarblijkelijk aan het einde van de
achtste eeuw tot het jodendom, hoewel de meerderheid van de bevolking deels christelijk deels islamitisch schijnt te zijn gebleven.
Afbeelding
hiernaast: Boekomslag van The Jews of Khazaria van Kevin Alan Brook uit 1999
Reeds oudtijds hadden er in dit gebied joden gewoond, wier aantal was toegenomen door de stroom van vluchtelingen die aan de onverdraagzaamheid van Byzantium
en de Sassaniden trachtten te ontkomen. Evenals elders hadden de joden ook
hier baanbrekend werk verricht. Zij hadden de nog op een vrij primitieve trap van
ontwikkeling staande Chazaren in betere landbouwmethoden onderricht en in de
mogelijkheden van handel in eigen gebied en met het buitenland. Ook maakten zij
hen wellicht bekend met de schrijfkunst, aangezien een Arabisch schrijver uit de
tiende eeuw vermeldt dat `de Chazaren het Hebreeuwse alfabet bezigen'. Het ligt
daarom voor de hand om aan te nemen dat er ook een zekere mate van godsdienstige beinvloeding heeft plaats gehad. Tenslotte zou volgens een niet geheel
onwaarschijnlijke overlevering omstreeks het jaar 740 de Chazarenvorst Boelan, na uiteenzettingen van vertegenwoordigers van de verschillende godsdiensten te hebben
aangehoord, besloten hebben tot het jodendom over te gaan.
De heersers van het Chazarenrijk bleven klaarblijkelijk het jodendom tot het
laatst toe trouw. Daar zij echter afgesneden waren van de, beroemde centra van
joodse godsdienstwetenschap, waren zij slecht op de hoogte van de Talmoed. Niettemin steunden zij in de strijd tussen de karaieten en de rabbanieten de laatsten.
De eigenlijke tragedie der Chazaren begon in de tiende eeuw, toen het Abbassidenrijk ineenstortte en Byzantium opkwam; daarmee bleek het Chazarenrijk als bufferstaat
overbodig. Constantinopel hield het de Russen als lokaas voor, en dezen grepen onmiddellijk de kans aan om het onder de voet te lopen. Maar ofschoon zij
verslagen waren en door de Russen bezet, bleven de Chazaren althans in naam het
jodendom trouw tot de invallen der Mongolen in het midden van de dertiende eeuw.
Afstammelingen der Chazaren waren, naar het schijnt, inmiddels in West-Europa
aangekomen, waar hun tegenwoordigheid het aanzijn gaf aan romantische verhalen
over de Verdwenen Tien Stammen. Waarschijnlijk vestigden afstammelingen van
de Chazaren zich ook in de verschillende Slavische landen in Oost-Europa, waar
zij bijdroegen tot de stichting van de grote joodse centra.
Tot zover de ons bekende feiten. Wat uit deze opsomming niet blijkt, is de indruk, die dit schijnbaar tot bet rijk der fabelen behorende verhaal over een
zelfstandig joods vorstendom op de joden elders in de wereld heeft gemaakt. Wij weten
dat mannen als Chasdai ibn Sjaproet en Jehoeda Halevi werden gefascineerd door
deze geschiedenis, hoewel zij, dank zij hun hoge positie aan het hof, over aanzienlijke macht beschikten. Toch betekende deze macht in handen van joden, ofschoon
zij kon worden aangewend ten bate van hun geloofsgenoten, uiteindelijk slechts
weinig voor hen. Het ware ideaal dat deze hovelingen koesterden, vonden zij misschien terug in de symbolische geschiedenis van de joodse Chazaren. Hoewel
Spanje zeer veel aantrekkelijks te bieden had, bleef het uiteindelijk toch Spanje - het eigendom en erfdeel van een ander volk dan de joden. Het was wellicht
onvermijdelijk dat Jehoeda Halevi (1080-1145), na zijn grote wijsgerige werk te hebben voltooid - een geschrift waarvan de voornaamste gestalte een vorst is die heerst over
een zelfstandige joodse natie - het mohammedaanse Spanje verliet en zich geheel alleen naar het Heilige Land begaf."
|