|
|
|
Het kaïnsteken, een bittere glimlach uit benard Israël (Ephraïm Kishon) |
|
|
|
|
Saturday 25 October 2008 |
 |
Titel Het kaïnsteken, een bittere glimlach uit benard Israël
Orig. The Mark of Cain © 1976
Auteur Ephraïm Kishon
Uitgeverij © A.W. Bruna & Zoon, Utrecht / Antwerpen; zwarte beertjes pocket nr 1726; 1977; 203 bladzijden
ISBN 90 229 1726 6
|
Synopsis
Ephraïm Kishon schreef meer dan 50 boeken waarvan er in 37 verschillende talen 43 miljoen exemplaren werden verkocht. Alleen al
in West-Duitsland werden meer dan tien miljoen pockets verkocht. Het boek Het kaïnsteken is anders van aard. Uitdagender, satirischer, minder goedmoedig. Het is de cri de coeur van Israëls prominentste schrijver, waarin deze de
moeilijke en vaak vertwijfelde positie van zijn land en zijn landgenoten aan de orde stelt. In korte satires geeft hij uiting aan zijn wanhoop, aan
zijn verwijten aan de toch wel sterk door commerciële belangen beheerste westerse politiek, maar ook zijn twijfels en zijn zelfkritiek ten aanzien van
de weg die Israël in de jaren zeventig van de vorige eeuw volgde.
Veel lezers zullen Kishons woorden controversieël in de oren klinken. Zij stemmen niet meer overeen met de officiële Nederlandse mening over het
Midden-Oosten-conflict, zoals die na de oliecrisis van 1973 hier heeft postgevat. Het is ook niet altijd even prettig wanneer je eigen opportunisme zo
duidelijk aangetoond wordt. Het kaïnsteken is echter wel belangwekkend. Hier staat een roepende in de woestijn! Dat hij in zijn ijver de
objectiviteit wel eens uit het oog verliest is daarbij alleen maar begrijpelijk.
Ephraïm Kishon over Het onderwerp oorlog [blz. 64-66]:
"Het onderwerp oorlog veroorzaakt een ongekende bloei van de huichelarij der beschaafde wereld. De oorlog, dit oeroude, verschrikkelijke fenomeen,
dat nog elk keerpunt, elke ontwikkeling in de geschiedenis der mensheid heeft begeleid, dat kan beslissen over vrijheid of slavernij, over vooruitgang of
ondergang, over cultuur of barbaarsheid, dit fenomeen verdeelt de wereld in twee kampen: De goeden, die tegen de oorlog zijn, en de slechteriken die ervoor
zijn. Al naar de mode en het gezichtspunt noemt men ze ook wel pacifisten en militaristen of duiven en haviken.
Er is geen schadelijker demagogie dan die welke de nobelste bereidheid van de mens, te vechten voor de vrijheid, voorstelt als een belustheid om te moorden
en te vernietigen. Niets is makkelijker dan in vers of proza de oorlog to verdoemen, over verminkte lijken en in puin geschoten steden te klagen - alsof dit niets
te maken had met het verlangen van een volk in vrede te leven en met vrede gelaten te worden, alsof hierin ook niet is begrepen de liefde voor je land, of
eenvoudig een vader die zijn gezin verdedigt tegen de vijand aan zijn poort. Een ieder die de vrede als een abstract doel in zichzelf beschouwt, wie
vrede tot elke prijs wil, vergeet de eerste regel van menselijke coëxistentie: Dat er voor vrede twee nodig zijn, voor oorlog is het voldoende dat één
het wil. Een volk dat oorlog beschouwt als een nachtmerrie en meer niet, vraagt erom. En in ons deel van de wereld behoef je er geen twee keer om to vragen.
De Tsjechen waren voorstanders van vrede tegen elke prijs, de Finnen voor oorlog als het moet. Het is de moeite waard deze twee landen to bezoeken om to zien
wat dit in de praktijk betekent.
Door niets wordt een volk zo verenigd en zijn moreel zo gesterkt als door de bereidheid zijn bestaan ook op het slagveld te verdedigen, als het op een andere wijze
niet meer verdedigd kan worden. Dat is de waarheid. Het wordt eindelijk tijd dat we onze vrede bereiken met oorlog.
Iedereen die meent dat dit stukje werd geschreven om oorlogen to verheerlijken vergist zich. Mijn negentienjarige zoon Rafi is soldaat. Ik bid dat hij nooit
zijn geweer zal hoeven te gebruiken. Dat is precies waarom wij hopen dat Israël zijn moed zal hervinden, zijn kracht, en de pure lef waarmee het 28 jaar geleden
een staat won en die ervoor zullen zorgen dat zijn vijanden zich wel tweemaal zullen bedenken om het vandaag aan te pakken. Want er is geen ander soort vrede
die we van de Arabieren kunnen verwachten in deze generatie - geen andere dan een soort goedschiks-of-kwaadschiks-vrede, bij gebrek aan keus en met knarsende
tanden!
Er zijn lieden onder ons die tegen deze situatie niet zijn opgewassen, die het gebulder van de kanonnen en het gedaver van de vliegtuigmotoren niet meer verdragen.
Ze zouden er goed aan doen het land hunner vaderen to verlaten en elders hun doden to bewenen. Oorlog was en zal de sleutel zijn tot elke verandering in dit
gebied. En laten we die niet in handen van de Arabieren laten.
Zullen we dan altijd moeten vechten?
Slechts voor weer een paar jaar, misschien wel voor de laatste keer. Als we van enige afstand de huidige situatie bekijken zien we dat onze buurlanden tamelijk
wanhopig proberen de geografisch-politieke en strategische situatie in dit gebied te veranderen voor het te laat is. Ze hadden graag Israël met faire en
unfaire middelen binnen onveilige, onleefbare en weinig benijdbare grenzen willen manoeuvreren, voor de kaart van het gebied eens en vooral bevroren wordt
door de introductie van nucleaire wapens.
Dc Arabieren houden een race tegen de tijd. De eerstvolgende jaren zullen de vorm van dit land voor het nageslacht bepalen. Dus we zullen het moeten volhouden
op de manier zoals we zijn, hetgeen betekent: Gereed om een nieuwe oorlog te voeren met de oude, onoverwinnelijke geest. En we zullen moeten leven met het feit
dat er slechts één land werkelijk belang heeft bij een sterk Israël - wij."
Ephraïm Kishon (1924-2005) was een van de populairste schrijvers en satiristen van de wereld. Hij werd vooral bekend voor zijn ironische maar liefdevolle
beschrijvingen van het leven van alledag in Israël. Hij schreef daarnaast ook een aantal cynische en bijtende politieke satires ondermeer over
de Jom Kippoer Oorlog en de Zesdaagse Oorlog. Tevens schreef hij scripten voor het theater en speelfilms die hij tevens regisseerde.
Daarnaast schreef hij onder het pseudoniem "Chad Gadja", sinds 1952 dagelijks een artikel voor de krant Maariv gedurende 30 jaar. Maariv is één van de
meest populaire kranten van Israël.
Ephraim Kishon werd geboren op 23 augustus 1924 in Boedapest (Hongarije) en kreeg de naam Hoffmann Ferenc. Zijn moeder was de secretaresse van zijn vader
Dezsö of Desider, die de directeur was van een bank. Hij had een zus. Hij groeide op in een volledige geassimileerde Joods familie, zodat hij noch Jiddisj
of Hebreeuws kon spreken. Reeds in 1940 won hij een Hongaarse roman prijs voor Hoge School-studenten. Vanwege de rassendiscriminatie werd het hem niet toegestaan
om deel te nemen aan de universiteit, dus besloot hij om goudsmid te worden.
Het grootste deel van zijn jeugd bracht hij door in werkkampen en leefde hij ondergedoken uit angst voor de nazi's. In 1944 werd Kishon gedeporteerd
naar Jolsva, een werkkamp in Slowakije, maar slaagde erin om samen met een vriend te ontsnappen. In het kamp was hij werkzaam als secretaris voor de
Districts-commandant. Hij kreeg zijn baan enkel vanwege het feit dat hij een uitstekende schaakspeler was en de nazi-commandant altijd tegen hem wilde schaakspelen.
In een andere situatie vermoordde een bewaker om de 10 gevangenen. "Hij maakte een fout door een satiricus te laten leven", schreef Kishon hierover later.
De rest van de oorlog overleefde hij onder een valse identiteit als de Slowaakse arbeider 'Stanko Andras'. Het grootste deel van zijn familie kwam om tijdens
de Shoah, enkel zijn ouders en zijn zus overleefden. Nadat zijn thuisstad Boedapest werd bevrijd door de Russen werd hij aangehouden als krijgsgevangene [sic!]
en gedepoteerd naar Wit-Rusland, maar kon ontkomen. Na de oorlog keerde hij terug naar Boedapest en behaalde diploma's in de metaalbewerking, beeldhouwkunst
en de geschiedenis van de kunst. In 1946 huwde hij Chawa (Eva / Ava) Klamer. In 1948 voltooide hij zijn universitaire studies. Sinds 1949 woonde hij
in Israël, nadat hij het communistische regime in Hongarije was ontvlucht.
|
|
|
Laatst geupdate op ( Thursday 13 November 2008 )
|
|
|