Synopsis
Afb. links: Stichting van de Joodse staat Israël. David Ben Goerion leest de onafhankelijkheidsverklaring voor op
de avond van 14 mei 1948. Achter hem een foto van Theodor Herzl, de belangrijkste stichter van het politieke Zionisme
De geschiedenis van het Joodse volk gaat ver terug in de tijd. Veel mensen zijn geinteresseerd in die historie en in het Arabisch-Israëlisch conflict,
maar kunnen er door onvoldoende voorkennis nauwelijks een touw aan vastknopen. Bij hen bestaat er behoefte aan een beknopte en complete geschiedschrijving
van het Joodse volk.
'Van Abraham tot Ben-Gurion' voorziet in die vraag. Hein Steinen (º1942) goot de gegevens die hij in de loop der jaren verzameld had, in een
handzame en populaire vorm. Het resultaat is een aantrekkelijk boek waarin de Joodse geschiedenis in grote lijnen wordt beschreven. Aan de tekst zijn een
aantal overzichtelijke kaartjes en illustraties toegevoegd.
Het Nieuw Israëlietisch Weekblad schreef over de gestencilde voorganger van dit boek: `Dit boek (...) kan degenen die weinig van dit onderwerp weten,
als handvat dienen om kennis te nemen van de geschiedenis van het Joodse volk.' En: `(...) het vertelt niet alleen de geschiedenis, maar roept ook beelden
op, die relevant zijn voor de beoordeling van wat er in onze dagen gebeurt in de Derde Joodse Staat.'
Hein Steinen over de Zaak Dreyfus, Theodore Herzl en het ontstaan van het politieke zionisme [blz. 91-93]:
In 1894 werd de Franse kapitein Alfred Dreyfus, de enige Jood bij de Generale Staf, op weinig objectieve gronden beschuldigd van
spionage voor Duitsland. Die beschuldiging vond plaats aan de hand van een, naar later zou blijken, vervalst document. Dreyfus werd veroordeeld tot
levenslange verbanning naar Duivelseiland, de beruchte strafkolonie voor de kust van Frans Guyana, en in het openbaar gedegradeerd onder het slaken van
kreten als `Dood aan de verrader' en `Dood aan de Joden'.
De zaak leek vergeten, maar in 1898 stuurde de schrijver Emile Zola een open brief (`J'accuse') aan de Franse pers. Daarin stelde hij dat
Dreyfus onschuldig was, dat generaal Billot het bewijs van die onschuld had laten verdwijnen en dat andere generaals daaraan medeplichtig waren. Voor veel
Fransen was Zola's aanval op de generaals een aanval op Frankrijk zelf. Zijn brief ontketende dan ook een storm die rellen in Parijs tot gevolg had. Heel
Frankrijk koos partij: voor of tegen Dreyfus.
Het Jezuïetenblad hekelde de emancipatie van de Joden en eiste zelfs intrekking van de aan de Joden verleende
nationaliteit in alle landen. Zo1a en zijn medestanders hielden echter vol en in 1899 kwam er een officieel onderzoek. Daarbij bleek dat het bewijs tegen
Dreyfus inderdaad vervalst was en hoewel bepaalde legerkringen zich~ daar sterk tegen verzetten, moest de krijgsraad het proces heropenen.
De uitslag was een compromis: Dreyfus werd opnieuw schuldig verklaard, maar nu `onder verzachtende omstandigheden'. De publieke opinie was gerustgesteld.
1n 1906 werd Dreyfus echter volledig gerehabiliteerd. Hij kreeg zijn rang terug en werd zelfs onderscheiden met het `Legioen van Eer'. Nu waren ook Zo1a en
zijn medestanders gerustgesteld. Zij dachten met de zaak Dreyfus de strijd tegen het antisemitisme te hebben gewonnen.
Doordat de Joden niet als volwaardige Europeanen werden geaccepteerd, bleven zij een apart volk zonder vaderland dat zich steeds en overal moest aanpassen
en voortdurend op zijn hoede moest zijn.[..]
Eén van de journalisten die de zaak Dreyfus in Parijs hadden gevolgd, was Theodor Herzl. Herzl was in 1860 in Budapest geboren en opgevoed in een beschermd, vrijzinnig Joods gezin, waarin de belangstelling voor het Jodendom beperkt was. Als 18-jarige jongen verhuisde Theodor met zijn ouders naar Wenen waar hij
in 1884 voor zijn doctoraal rechten slaagde. Zijn passie gold echter het schrijven van gedichten, romans en toneelstukken, maar daarin was hij weinig
succesvol. Herzl verdiende de kost dan ook niet als schrijver, maar als journalist.
In 1891 werd hij de Parijse correspondent van de Weense krant `Neue Freie Presse' en in die hoedanigheid woonde hij het proces tegen Dreyfus bij.
Tijdens dat proces kwam Herzl tot de conclusie dat Dreyfus onmogelijk een Duitse spion kon zijn; daarvoor was Dreyfus te plichtsgetrouw, voelde hij zich
te veel Fransman en had hij te veel militair eergevoel. Door de Dreyfus-affaire werd Herzl zich bewust van het antisemitisme en van zijn eigen Jood-zijn
en hij realiseerde zich dat de Joden alleen door zelfbeschikking uit hun ellende konden komen.
Vanaf dat moment besteedde hij al zijn energie aan het oprichten en bezielen van een politieke beweging die de stichting van een seculiere Joodse staat
tot doel had, de Zionistische Wereldorganisatie, genoemd naar Zion, één van de heuvels waarop Jeruzalem is gebouwd. Als tegenhanger van het religieuze verlangen
naar Jeruzalem, moest het politieke zionisme de aanzet worden tot een proces van zelfbewustwording en uiteindelijk tot de stichting van een Joodse staat leiden.
Op 29 augustus 1897 kwamen in Bazel tweehonderd Joodse gedelegeerden uit de hele wereld bijeen voor het Eerste Zionistische Wereldcongres. Op die bijeenkomst
wist Herzl de geestdrift voor het stichten van een Joodse staat te wekken. In september 1897 schreef hij dan ook in zijn dagboek: "In Bazel heb ik de Joodse staat
gesticht. Binnen vijftig jaar zal iedereen dat inzien."
|