|
Pagina 1 van 5
 Eind jaren dertig
werd de toestand voor de Joden in Europa, maar vooral in de Oost-Europese landen onhoudbaar. Zij die na de zoveelste pogrom nog een paar centen over hadden, trachten te
ontkomen naar het buitenland. Velen van hen die aanvankelijk naar West-Europa, vooral de Lage Landen en Frankrijk, maar ook naar Wit-Rusland, Oekraïne en Rusland waren
uitgeweken, kwamen later in de val te zitten, wanneer de nazi's op 10 mei 1940 West-Europa binnenvielen en op 22 juni 1941 Rusland binnenstormden. De enige veilige wegen
leidden naar overzeese gebieden zoals de Verenigde Staten, Engeland en... Palestina, dat toen nog onder Brits bestuur stond. Met Het Witboek van 17 mei 1939
(White Paper) kozen de Britten resoluut voor de Arabische belangen. Behalve beperkingen voor de Joden in Palestina in bepaalde sectoren zoals het verwerven van
eigendom en gronden, bepaalde het Witboek onder meer dat slechts over de volgende vijf jaren maximaal 75.000 Joden Brits Mandaatgebied Palestina binnen mochten, en
dat op het hoogtepunt van de Jodenvervolging! Uit de Conferentie van Evian van 6 juli 1938 was gebleken dat nagenoeg geen enkel land ter
wereld de Joden wilde opvangen, zelfs België stuurde gewapenderhand Joodse vluchtelingen uit Duitsland en Oostenrijk terug de grenzen over! Aldus kwam in de
jaren dertig noodgedwongen de Alijah Bet op gang: de illegale immigratie van Joodse vluchtelingen naar Palestina, over land maar vooral per schip.
De Alijah Bet liep door tot aan de oprichting van de staat Israël op 14 mei 1948 en ook na het einde van WOII via de Bricha-route, wanneer de Oost-Europese Joden massaal hun landen
ontvluchtten. Een riskante onderneming want de meeste schepen werden door de Britse Marine geënterd nog voor ze aan land raakten en hun onfortuinlijke passagiers
opgesloten in speciale gevangenenkampen op de eilanden Cyprus of Mauritius of in met prikkeldraad afgespannen kampen in Palestina. Eén van de zovele helden die het
Jodendom rijk is, was de toen 25-jarige Ruth Klüger die vele duizenden vluchtelingen aan de Shoah hielp ontsnappen. Aan deze ongelooflijk moedige vrouw
is dit derde deel opgedragen.

Kishinev, Bessarabië (Roemenië), 28 oktober 1941. Roemeense soldaten controleren de deportatie van de Joden van Kishinev
Jodenvervolging in Roemenië
Afbeelding rechts:
Boekarest, Roemenië in 1940. Horia Sima, de leider van de fascistische IJzeren Garde en vice-Eerste Minister in de Roemeense regering van 1940
Anders dan in veel Westerse landen, waren het de Roemenen zèlf die de Jodenvernietiging in eigen land uitvoerden. Net zoals de regimes van bijvoorbeeld de Ustascha in Kroatië en de
Pijlkruisers in Hongarije zal het Roemeense 'legionaire' regime van Antonescu fanatieker te werk gaan en in gruwelijkheid de nazi's herhaaldelijk naar de kroon steken.
Meermaals zal de SS de Roemeense regering moeten vermanen om 'het wat kalmer aan te doen'. [sic] Jodenhaat en christelijk geïnspireerd antisemitisme woekerde - net
zoals in de rest van Europa - onderhuids verder in Roemenië tot het antisemitisme eind jaren twintig met de oprichting van de fascistische en virulent
antisemitische IJzeren Garde (Garde de fier) in 1927 een uitlaatklep vond. Reeds in december 1937 kreeg Roemenië haar eerste pro-nazi gezinde regering. Onder het regime van
minister-president Octavian Goga werden vanaf mei 1938 de eerste officiële anti-Joodse maatregelen ingevoerd. Bijna 120.000 Joden verloren de Roemeense nationaliteit.
De regering van Goga kwam spoedig ten val en ook de IJzeren Garde werd geviseerd. Haar oprichter en toenmalige leider Corneliu Codreanu werd
in 1938 op bevel van de Roemeense koning Carol II gearresteerd, doodgeschoten en zijn lijk met zuur overgoten. Horia Sima volgde Codreanu op, maar de rol
van de IJzeren Garde was voorlopig uitgespeeld.
In de zomer van 1940 werd Roemenië gedwongen groten delen van haar grondgebied af te staan. Het verloor Bessarabië en Noord- Boekovina aan de Sovjet-Unie, Hitler had dit aan
Stalin beloofd en liet de Roemeense koning Carol II botweg weten dat hij het maar had te accepteren. Ontevredenheid met dit verlies en een volksopstand hadden de
vlucht van de koning en de installatie van een nieuwe regering voor gevolg. Op 4 september 1940 greep Maarschalk Ion Antonescu (1882-1946) de macht en zal die de volgende vier jaren tot aan zijn val op
23 augustus 1944 behouden. Vanaf 14 september 1940 zal Antonescu zichzelf tot Conducator al Statului ('Leider van de Staat') benoemen. De eerste periode van
zijn bewind van september 1940 tot januari 1941 bestuurde hij een coalitieregering waarin ook een aantal leiders van de IJzeren Garde in zetelden. Leider Horia Sima werd zelfs
vice-premier van Roemenië. Andere grote delen die Oud-Roemenië moest afstaan waren Noord-Transsylvanië aan Hongarije en Zuid-Dobrudja aan Bulgarije. Pas na dit verlies
van grondgebied zal Roemenië in november 1940 toetreden tot de Asmogendheden (bondgenootstaten) van Hitler, net zoals reeds voordien Bulgarije was toegetreden.
Afbeelding links: Boekarest, Roemenië, januari 1941.
Volledig verwoeste Sefardische synagoge die tijdens de pogrom van 21-23 januari 1941 door milities van de IJzeren Garde volledig in as werd gelegd
Deze coalitieregering van premier Antonescu samen met de IJzeren Garde blonk vooral uit door virulent antisemitisme, aanhoudende pesterijen en dodelijk geweld tegen
Joden, zigeuners en andere minderheden die dra gruwelijke proporties zal aannemen. Antonescu besloot tot de 'Roemenisering' van zijn land. Eerste en belangrijkste slachtoffers waren de Joden die hebben en houden verloren, beroofd werden van hun staatsburgerschap, ondernemingen
en bedrijven werden ontnomen enz. Deze anti-Joodse maatregelen veroorzaakten eind 1940 een eerste vluchtgolf van Joden die met wrakke schepen Palestina trachtten te bereiken.
Begin 1941 kwam de IJzeren Garde in opstand tegen het regime van Antonescu. De putsch die op 20 januari was begonnen werd al na drie dagen neergeslagen, maar was wel intussen
uitgelopen tot een bloedige pogrom tegen de Joden.
Drie dagen lang werd er door IJzeren Gardisten geplunderd en gemoord in de straten van Boekarest. In zwarte lederen
jackets geklede IJzeren Gardisten, raasden op motorfietsen doorheen de straten van Boekarest en terroriseerden iedereen die ze op hun weg tegenkwamen in hun zoektocht
naar slachtoffers en kostbaarheden. Synagogen werden afgebrand, Joodse handelszaken vernield, Joodse burgers op straat aangevallen en ter plaatse als beesten afgemaakt. De Duitse militaire attaché in Boekarest schreef in zijn rapport van 27 januari 1941: "In het lijkenhuis
van Boekarest ziet men honderden lichamen, maar voor het merendeel betreft het Joden [doch handelt es sich minstens um Juden]." Joodse slachtoffers werden niet simpelweg vermoord
maar in koelen bloede afgeslacht. Sommige lichamen waren zozeer toegetakeld dat ze geen enkele menselijke gelijkenis meer vertoonden. In het plaatselijke slachthuis ontdekte men lijken
die als kadavers van slachtvee aan haken hingen. Een vijfjarig meisje bungelde aan haar voeten als een geslacht kalf aan een haak, haar lichaam helemaal onder het bloed.
Afb. rechts: slachtoffers van de Iasi pogrom van januari 1941 door IJzeren Gardisten
in de straten van Boekarest
Na de mislukte putsch van de IJzeren Garde en de chaos die de Garde had veroorzaakt, besloot Antonescu in te grijpen en werd eind januari '41 de Garde
(met Duitse instemming) uit de regering gezet. Een opstand van Gardisten die daarop volgde werd hardhandig neergeslagen. Horia Sima bekloeg zich over zijn nederlaag
bij Heinrich Himmler, en stak de schuld van die nederlaag op de Joden en vrijmetselaars, die volgens hem Antonescu manipuleerden. Echter Himmler sympathiseerde duidelijk
met de 'Conducator' Antonescu in wie hij een stevige bondgenoot vond. Sindsdien zou de IJzeren Garde nooit meer een rol van betekenis spelen. Antonescu nam weldra de Jodenvervolging in eigen handen en vanaf 21 maart 1941 volgde de ene anti-Joodse maatregel na de andere.
De Roemeense vernietigingsmachine zal pas goed op dreef komen na de inval door het Duitse leger op 22 juni 1941 (Operatie Barbarossa) en Roemenië als bondgenoot van Hitler
terug Noord-Boekovina en Bessarabië heroverde en inlijfde bij zijn land.
Nauwelijks drie dagen na de inval in Rusland, 25 juni 1941, werd onder het mom dat Sovjetrussische parachutisten in de omgeving van de Roemeense stad
Iasi waren geland, een inval uitgevoerd door de 14de Divisie van het Roemeense leger die onder het
bevel stond van generaal Stavrescu. De Joodse gemeenschap van Iasi telde in 1930 ongeveer 35.000 Joden of zowat 60% van de totale bevolking van die stad. Door Roemeense regeringssoldaten
werden Joden willekeurig opgepakt en op 30 juni werden twee goederentreinen volgestouwd met Joodse arrestanten die met respectievelijk 2.500 en 1.900 Joden naar het binnenland gestuurd.
De veewagons werden verzegeld en reden dagenlang zonder duidelijk bestemming doorheen het land. De Joden in de wagons stierven bij bosjes in de wagons door gebrek aan eten en
water en als gevolg van verstikking. Af en toe maakten Roemeense soldaten de deuren van de wagons open, haalden er de lijken uit en verbrandden ze in massagraven. In de twee
door Roemeense fascisten georganiseerde 'Treinen van de Dood' kwamen 2.421 Joden om. Dit was echter nog maar peanuts vergeleken met wat nog komen moest.
Afb. Links: Treinstation van Iasi, einde juni 1941.
Roemeense politiemannen duwen Roemeense Joden, overlevenden van de Iasi-pogrom, in goederentreinen voor hun deportatie naar Calarasi in het binnenland
Roemenië kende voor het begin van de Tweede Wereldoorlog op Polen en Rusland na, de grootste Joodse gemeenschap van Europa. Volgens een volkstelling uit 1930 woonden
er in Oud-Roemenië (d.w.z. het grondgebied inclusief de latere afgestane delen) 756.930 Joden. Hiervan woonden er 427.926 in de latere verspeelde gebieden: 278.943 in Noord-Boekovina, Bessarabië en de Donaudelta); 148.173
in Transsylvanië (later Hongarije) en 846 in Zuid-Dobrudja). In de gebieden die Roemeens bleven werden 328.968 Joden geregistreerd. Na de oorlog bleek meer dan de helft
van de Roemeense Joden te zijn vermoord.
Opvallend daarbij was dat het overgrote deel van de Joodse slachtoffers werden vermoord in gebieden die Roemenië later verloor:
ruim 200.000 in Bessarabië, 124.632 in Boekovina, 105.000 in Transsylvanië en 40.000 elders in Roemenië. Als gevolg van die opdeling van Roemenië zullen tot op vandaag
Roemeense negationisten blijven beweren dat er op Roemeens grondgebied nooit een Holocaust heeft plaatsgevonden. Dat is natuurlijk onzin. De grootste genocide in Roemenië
had plaats nadat Bessarabië en Boekovina na de inval in Rusland opnieuw werden ingelijfd bij Roemenië en de Roemenen zèlf de Jodenvernietiging in handen namen, nog vooraleer
de Duitse Einsatzgruppen en de SS hun gangen konden gaan.
Tussen juni 1941 en juni 1942 werden het de zwartste tijden voor de Joden van Roemenië. Ion Antonescu verklaarde op 8 juli 1941 de Joden in Bessarabia en Boekovina
letterlijk vogelvrij tot 'schietwild': "Het ogenblik is gekomen om de Joden uit Bessarabië en Boekovina te verbannen naar de andere oever van de Dnjestr. Ze hebben
hier niks te zoeken en het kan me geen zier schelen als ze ons later in de geschiedenis afschilderen als barbaren. Er is nooit voordien in de geschiedenis
een betere gelegenheid geweest om ons van de Joden af te maken en, indien noodzakelijk, richten we onze machinegeweren op hen." Slachtpartijen op Joden vonden plaats aan
de ene kant van de oever van de rivier onder het commando van de Roemeense kolonel Tudose.
Afb. rechts: Af en toe maakten Roemeense soldaten de deuren van de wagons open, haalden er de lijken uit en verbrandden ze in massagraven. In de twee
door Roemeense fascisten georganiseerde 'Treinen van de Dood' kwamen 2.421 Joden om
Op de andere oever was intussen Einsatzgruppe D de gevluchte Roemeense Joden aan het 'uitdunnen'. In haar rapport van 2 september 1941 meldde Einsatzgruppe D dat ze ter plekke 1.265 Joden had doodgeschoten en ongeveer 27.500 anderen had teruggedreven
over de rivier (waar de Roemeense killersquads hen weer opwachtten). Aldus vond een makaber spel plaats tussen Duitsers en Roemenen, die elkaar de Joden toespeelden
tot ze ten langen leste bijna allemaal vermoord of gedeporteerd waren. Op 17 oktober 1941 noteerde SS-Haupsturmführer Richter in zijn rapport: "Volgens vandaag
van directeur-generaal Lecca ontvangen informatie worden 110.000 Joden in Boekovina en Bessarabië gedeporteerd naar twee wouden bij de rivier de Bug. Voor zover hij
dit kon nagaan, vloeit de Aktion voort uit een bevel van maarschalk Antonescu. Oogmerk van de actie zou de liquidatie van deze Joden zijn
[Sinn der Aktion sei die Liquidierung dieser Juden]."
Op bevel van Antonescu vond tegelijk ook de gettoïsering van de Joden plaats. Joden werden vanaf november 1941 samengepakt vooral in kolonies in Transnistrië. Al van bij het begin waren de
omstandigheden er verschrikkelijk. Geen eten en geen water, geen sanitaire voorzieningen noch behoorlijk onderdak, zorgden dra dat er besmettelijke ziekten uitbraken.
Vooral een hardnekkig typhus-epidemie maakte er duizenden slachtoffers. Op 6 januari 1942 zond een wanhopige Joodse leider naar het Zionistisch kantoor in Genéve waarin hij
de toestanden beschreef in Mogilow-Podolski waar zo'n 12.000 Joden op elkaar gepakt zaten. Hij meldde dat er ruim 5.000 waren aangewezen waren op een stuk brood uit de gaarkeuken
en dat er dagelijks 60 doden vielen. Duizenden van hen hadden typhus gekregen en een op drie bezweek aan die ziekte. Er bevonden zich ook twee concentratiekampen
in Transnistrië - Piczoria (Peciora) en Vapniarca - waar de leefomstandigheden zo mogelijk nog erger waren. Een getuige vertelde dat in het KZ Piczoria zozeer honger
werd geleden dat de kampbewoners zich voedden met schors en bladeren van bomen, gras aten en zelfs menselijke overblijfselen niet schuwden.
Berlijn, 25 november 1941. Groot-Moefti van Palestina
Amin Al-Hoesseini op bezoek bij Adolf Hitler. Al-Hoesseini over die alliance met de Führer: "Onze belangrijkste voorwaarde om samen te werken met Duitsland was
vrij spel te verkrijgen zodat we in Palestina en de Arabische wereld tot de laatste Jood konden uitroeien."
Tegen het einde van 1942 begonnen de Roemenen stilaan genoeg te krijgen van het moorden. Ze weigerden - tot grote consternatie van de nazi's - de SS 300.000
overlevenden Joden uit te leveren voor deportatie naar de vernietigingskampen in het Oosten. De Duitse gezant von Killinger in Boekarest rapporteerde op 12 december 1942
dat Radu Lecca, de supervisor van het Centraal Bureau voor Roemeense Joden, hem vertelde over een plan van maarschalk Antonescu om aan een 80.000
Joden toelating te geven om te emigreren naar Palestina, in ruil voor 3.340 Rijksmark per hoofd.
Aldus zag hij een makkelijk middel om de Joden te lozen en er nog een smak geld over te houden. Er was natuurlijk één 'probleem': te weinig scheepscapaciteit en het ontbreken van een bestemming. De Britten hadden de deur naar Palestina
op slot gedaan voor de Joden en, de catastrofe met de M/S Struma van 24 februari 1942 indachtig, leek de uittocht van de Roemenen via schepen een bijzonder hachelijke
onderneming te worden.
Bovendien was er ook nog het protest van de Groot-Moeftie van Jeruzalem, Amin El Hoesseini,
omtrent de aankomst van vierduizend kinderen vergezeld van vijfhonderd volwassenen, die Palestina alsnog hadden bereikt. De Groot-Moeftie had zijn lot verbonden aan de
overwinning van nazi-Duitsland en was door de Britten inmiddels verbannnen uit Palestina. Hij verzocht de Duitse minister van Buitenlandse Zaken zijn uiterste best te doen [das Außerste zu tun] om verdere emigratie van Joden uit Hongarije,
Roemenië en Bulgarije te beletten. De Duitsers beaamden het protest van de Groot-Moefti en reageerden door een veilige doorvaart te blokkeren en te verklaren
dat Palestina een Arabisch land was. Hoe dan ook, met het geld dat Antonescu de wanhopige overlevende Joden van Roemenië aftroggelde, kon hij de Britten
in Palestina niet vermurven. De Britten hielden deur naar het Beloofde Land bleef op slot en dat zal zo blijven tot aan de onafhankelijkheid van Israël in mei 1948.
|