
Door de omstandigheden gedwongen bleef de Struma aldus tien weken in quarantaine voor anker liggen in de haven van Istamboel. Aan boord bleven nog 769 Joodse
vluchtelingen achter. Het grootste deel van hen was afkomstig uit Boekovina en Bessarabië, uit het kleinere deel van het oud-Roemeense gebied. De ironie van het lot
wil dat intussen in Londen ernstige onderhandelingen bezig waren omtrent het lot van Hongaarse in het algemeen en Roemeense Joodse kinderen in
het bijzonder. De
Jewish Agency stipuleerde dat de kinderen op de Struma gekwalificeerd werden om in aanmerking te komen om naar
Eretz Yisrael te emigreren. Op 15 februari 1942, negen dagen voordat de Struma werd uitgedreven door de Turken, kondigden de Britten aan dat een uitzondering kon worden
gemaakt voor de kinderen - in de leeftijd tot 16 jaar - die zich op de Struma bevonden, bij uitzondering asiel voor Palestina zou worden verleend. Bericht van Angora
aan Jeruzalem van 17 februari 1942: "
I have informed the Turkish Government decision to admit children. Assistant Secretary-General at
the Ministry of Foreign Affairs stated that they could not allow children to travel overland through Turkey; if the ship can be sent to Istanbul they can be transferred
to it; otherwise they must remain on the Struma."
Al de anderen aan boord werden uitgesloten omdat zij niet voldeden aan de eisen van de Britse regering. Aldus een menselijke klok stellende aan zijn goedwillendheid, drukte
Harold MacMichael nogmaals uit dat hij hoedanook "
niet de vreselijke verantwoordelijkheid op zich wilde nemen om te kiezen welke van
de passagiers zouden worden toegelaten, afhankelijk van hun leeftijd." De
Jewish Agency maakte meteen voorbereidingen om de kinderen op te vangen
en enkele dagen later waren zij zover, zelfs als het de jongere dan toegelaten kinderen betrof. Terzelfdertijd, 20 februari 1942, riep de
Jewish Agency op
om tot een besluit te komen omtrent de volwassenen, wijzend op het feit dat de Amerikaanse afdeling van de JDC alle opvang voor de volwassenen van de Struma-Joden reeds
had geregeld.
Op 22 februari, na weken van wachten, hoop en vertwijfeling, bereikte de vluchtelingen een telegram dat hen terug blij en hoopvol stemde. Rabbijn
Stephen Samuel Wise (1874-1949),
de Amerikaanse voorzitter van de Zionistische beweging in New York, schreef in zijn telegram dat hij erin geslaagd was om 2000 bijkomende inreisvisa voor Palestina te verkrijgen en dat er een deel
voor de vluchtelingen op de Struma werd voorbehouden.
Echter de volgende dag, 23 februari 1942 en eenenzeventig dagen later nadat ze vanuit Constanta waren vertrokken, kwam de dramatische anticlimax. De Turken hadden er
opeens genoeg van gekregen. De Turkse politie overmeesterden het schip, uiteraard zonder veel tegenstand van de al zo verzwakte groep vluchtelingen. Meteen brak
er paniek uit op het schip. De politie gooiden het anker en de trossen los en sneden de aanleglijnen door. Ofschoon kapitein Gorbatenko protesteerde dat de Struma niet zeewaardig
was, werd het schip naar de open zee gesleept. De mensen die langs de kust van de Zwarte Zee het trieste schouwspel gadesloegen, lazen op grote spandoeken, die
door de passagiers waren gemaakt en opgespannen werden over de scheepsromp, hun noodkreet zowel in het Hebreeuws als in het Engels: "
REDT ONS!" ('save us!'). Het hulpgeroep van de passagiers werd luid gehoord
door de bewoners aan de kusten langs de Bosporus, maar niks mocht nog baten, de
Struma bleek ten dode opgeschreven.
Afb. links: Laatste brief van één van de opvarenden van de STRUMA, gedateerd 'Istamboel, 5 januari 1942 - Aan boord van de Struma'. KLIK op de afbeelding voor een leesbare vergroting
Op ongeveer 10 tot 15 kilometer buiten de kust, werd de Struma met haar menselijke vracht verder aan haar lot overgelaten. Wellicht zonder motor (die nog in reparatie
zou zijn geweest op het vasteland), zonder anker noch zeil, zonder water of eten voor de onfortuinlijke passagiers, dobberde het schip stuurloos rond in de wind,
overgelaten aan de getijden. Intussen werden, onmiddellijk nadat de Struma was vertrokken, de plaatselijke Britse ambtenaren door de regering in Londen gemachtigd
om aan zeventig kinderen van de Struma verblijfscertificaten voor Palestina uit te reiken en konden de kinderen van boord gehaald en gered worden. Helaas kwam dit
politieke compromis veel te laat! Voor de zoveelste maal had de Westerse diplomatie m.b.t. de nazi's en hun bondgenoten gefaald...
Bij het eerste ochtendgloren van de 24ste februari 1942 werd de Struma opgemerkt door een Sovjet-Russische onderzeeboot, die onder het
commando stond van de Kapitein-Luitenant
Denežko en Politiek Commisaris A.G. Rodimatzav. De onderzeeër kwam naar de oppervlakte, de commandant
observeerde met zijn kijker kort het vaartuig, zag abusievelijk [?] het schip voor een transportvaartuig van de asmogendheden aan en besloot om de Struma te kelderen. Vanop
ruim een kilometer afstand van het schip lanceerde de onderzeeër één enkele torpedo die het schip midscheeps raakte. De Struma explodeerde en zonk
op slechts enkele minuten naar de bodem van de Zwarte Zee. De kapitein noteerde die dag in zijn logboek: "
The Shch-213 submarine ... encountered on the morning
of 24.2.1942 an unprotected enemy vessel Struma ... The ship was successfully torpedoed from a distance of [1,118 meters] and sunk ... Junior officers ... Unit
Commander and non-commissioned officers ... and the Red Fleet sailor who fired the torpedo ... have shown courage." [Sovjet Militair Archief]
David Stoliar over dat fatale moment: "
Omtrent de torpedo, die heb ik helemaal niet zien aankomen. In de vroege morgen van 24 februari
lag ik nog in mijn kooi te slapen. De volgende ochtend werd ik wakker in het water. De Bulgaarse onderkapitein Ivanof Dikof vertelde me toen: 'Ik was aan dek toen ik plotseling
het spoor van een torpedo doorheen het water opmerkte. Ik rende naar de cabine van de kapitein en toen ik de deur opende explodeerde het schip. Door de explosie werd
ik in de lucht gegooid, terwijl mijn hand nog steeds de deurknop omklemde. Ik gebruikte de deur om me drijvende te houden in het water'. We praatten, we zongen
en riepen tot de kleinste uren want we waren bang dat we in slaap zouden dommelen en zouden bevriezen. Echter, de officier kon niet tegen de koude en in de morgen
constateerde ik dat hij gestorven was en ik de enige was die het overleefd had.[..]"
Afbeelding rechts: Kaïro (Egypte) in 1945, krantenartikel
uit de Sunday Times. David Stoliar als sergeant-majoor bij het Britse leger. Foto boven in zijn kantoor in Kaïro en onder in het huwelijksbootje
De dodenbalans was verschrikkelijk:
103 kinderen, 269 vrouwen en 406 mannen stierven die nacht... Het verschrikkelijkste aan de hele ondergang van
de Struma was het feit dat na de explosie aanvankelijk honderden passagiers het overleefden. Ze klampten zich wanhopig, zwevend tussen leven en dood, vast aan elk wrakstuk
dat voorbij dreef. Al die tijd hoorde Stoliar verschrikkelijke kreten om hulp. In de verte kon Stoliar de kustlijn zien maar geen hulp in
zicht. Geen enkele reddingsboot daagde op alhoewel de explosie vanaf de kust toch goed te horen moest zijn geweest. De uren liepen langzaam voorbij, mensen bevroren
en gingen één na één kopje onder en verdronken. Honderden lijken dreven in het rond maar Stoliar overleefde. De volgende ochtend, ruim 20 uren nadat de Struma was
gezonken, was nog één man in leven, zich wanhopig vastklampend aan een stuk wrakhout. Hij werd ontdekt en uit het water geplukt door Turkse matrozen in een roeiboot die vanuit een
vuurtoren alles gezien hadden.
Stoliar werd onder bewaking overgebracht naar een ziekenhuis in Shila waar hij twee dagen werd verzorgd. Intussen werd hij dag en nacht door politiemensen bewaakt. Op de 3de
dag werd hij overgebracht naar het politiekantoor van Uskudar nabij Istamboel waar hij op de rooster werd gelegd. Nadien werd Stoliar met een ziekenwagen naar het ziekenhuis
Hidad Pascha vervoerd waar hij veertien dagen onder permamente politiebewaking langzaam kon herstellen van de ontberingen. Tevergeefs trachtte hij contact te maken
met de buitenwereld. Na twee weken werd hij opnieuw ondervraagd door de Turkse Geheime Politie, gefotgrafeerd van alle zijden en kreeg zelfs een gevangenisnummer mee: 704. Lange
tijd werd hij ermee bedreigd om samen met andere illegalen die in Trukse gevangenissen verbleven, terug naar Roemenië te worden gezonden. Ondanks zijn zwakke
gezondheidstoestand werd hij twee maanden opgesloten in een Turkse gevangenis.
Uiteindelijk werd kwam hij vrij met de hulp van de voorzitter van de locale Joodse gemeenschap,
Simon Brod, die enkele corrupte politieambtenaren had
omgekocht. Wel op voorwaarde dat hij Turkije zou verlaten. Simon Brod had voor hem alsnog een emigratievisa voor Palestina kunnen bemachtigen. Op 23 april 1942 kwam
Stoliar eindelijk vrij en met de verdere hulp van de
Jewish Agency nam hij de trein naar Syrië van waar uit hij zijn reis vervolgde naar Haïfa waar hij
zich eind april 1942 aanmeldde bij het locale politiekantoor.
Tijdens het daarop volgende jaar nam hij dienst in het Britse leger en werd gedetacheerd in Kaïro (Egypte) waar hij het tot sergeant-majoor bracht. Hij werd verscheidene keren onderscheiden
in de oorlogen in Egypte en Lybië. In 1945 trad hij in Kaïro in het huwelijksbootje en keerde na het einde van de oorlog terug naar Palestina. In 1948 nam hij als soldaat
deel aan de Onafhankelijkheidsoorlog van Israël. Hij verbleef in Israël tot 1954, tot wanneer hij een belangrijke positie verwierf bij een oliemaatschappij in Japan.
Tegenwoordig leeft de kranige tachtiger in Bend, een stadje in de Amerikaanse staat Oregon.