|
Wat we (niet) deden toen de Joden stierven. [4] Laatste vaart van de MS Struma |
|
|
|
|
Sunday 23 November 2008 |
|
Pagina 5 van 6
Nasleep

Afbeelding links: Krantenartikel van 8 januari 1978 met als titel: "Geheime documenten bevestigen: Engeland zond de Joden van de Struma de dood in".
Klik op de afbeelding voor een leesbare vergroting
De torpedering van de Struma bleef jarenlang voor controversie zorgen. Begin 1978 raakten nieuwe geheime Britse documenten in de openbaarheid. Tot dan hadden de Britten
de verantwoordelijkheid, voor het terug in open zee slepen van de zeeonwaardige Struma met de gekende tragische afloop, altijd bij de Turken gelegd. Uit de documenten bleek
dat het wel degelijk de Britten waren die druk hadden uitgeoefend op de Turkse regering om het schip terug naar de haven Constanta in Roemenië te zenden.
Sir Hugh Knatchbull-Hugessen , die sinds 1939 Brits ambassadeur was in Turkije en zijn kantoor hield in Ankara, had de regering in Londen aanbevolen om de ruim 750 vluchtelingen op de Struma op basis van
humanitaire gronden toe te laten in Palestina. Zijn advies stuitte echter op het veto van de fel antisemitische Sir Harold MacMichael en Lord Moyne voor Midden-Oosten zaken.
Lord Moyne op 24 december 1941: "We have good reasons to believe that this traffic is favoured by the Gestapo and the Security Services attach the very greatest importance to preventing the influx
of Nazi agents under the cloak of refugees. As to Knatchbull-Hugessen’s humanitarian feelings about sending the refugees back to the Black Sea countries it seems to
me these might apply with equal force to the tens of thousands of Jews who remain behind and who are most eager to join them. (…) to urge that Turkish authorities
should be asked to send the ship back to the Black Sea, as they originally proposed."
Eén van diens ambtenaren op het ministerie van koloniën schreef in een veelzeggend memorandum over het advies van Sir Hugh Knatchbull-Hugessen: "Voor de eerste maal
vertoont de Turkse regering een teken van bereidwilligheid om aan de verhindering van illegale immigratie naar Palestina mee te werken, en nu komt die 'boodschapper' en
verpest alles, zogenaamd op basis van humanitaire gronden, die op een verbluffend gebrek van zijn oordeelkunde wijzen." Een andere ambtenaar van het koloniaal
bureau merkte schamper op dat: "Sir Hugh (Knatchbull-Hugessen) een uitstekende gelegenheid had verknoeid om 'this people' (deze mensen)
in Istamboel op te houden en ze terug naar Constanta te sturen." Uiteindelijk bezweken de Turken op de eisen van het Brits ministerie van
koloniale zaken en sleepten de Struma terug naar de Zwarte Zee...
David Stoliar (afb. rechts), de enige die de ondergang op zee van de Struma overleefde, gelooft nog steeds in een samenzwering van de drie betrokken landen: Engeland, Turkije en de Sovjet-Unie.
In een email aan Hasim Surel van 11 augustus 2005 schrijft hij dat er teveel 'toevalligheden' rondom het einde van de Struma samenvielen:
"My personal believe is that the British Colonial Office in London decided to eliminate Struma to avoid this vessel with nearly 800 refugees
and crew reaching Palestine. I think the Colonial Office arranged with their allies Soviet Union to send the vessel to the bottom of the Black Sea. Soviet Union had
sufficient submarines in the Black Sea to comply with UK request. Turkey, although neutral, accommodated UK by following their instructions. It cannot be proven that
there was a conspiracy."
Zo bijvoorbeeld dat London reeds op 17 februari 1942 de autoriteiten in Istamboel sommeerde om de Struma in open zee te drijven, terug naar AF.
Die uitdrijving werd een week uitgesteld omdat de Sovjet-Russische onderzeeboot ShCh-213 nog niet in positie lag in de straat van de Bosporus. Ook vreemd, volgens Stoliar,
is het feit dat de Sovjet-onderzeeër erin slaagde zich tussen de Struma en de Turkse kust te wringen en van daaruit de fatale topedo op het schip afvuurde. Dit om
de Turken in diskrediet te brengen als zou de Struma door de Turken zijn gekelderd vanaf de kust. Stoliar werd na zijn redding op zee opgesloten in een cel op de
hoogste verdieping van het hoofdkantoor van de politie in Istamboel. Onder het voorwensel dat hij geen visa had voor Turkije werd hij aldus zes weken lang opgesloten gehouden en
regelmatig verhoord. Niettegenstaande dat terzelfdertijd dat andere Joodse vluchtelingen die vervolging in Europa waren ontvlucht en Istamboel bereikten, eveneens zonder visa
toch in hotels mochten logeren en niet in gevangenissen.
Op de vraag of hij na zovele jaren nog wraakgevoelens koestert jegens de Turkse staat antwoordde Stoliar ontkennend: "De tragedie met de
Struma heeft nooit mijn mening over Turkije gewijzigd. Sinds het incident heb ik Turkije nog drie maal bezocht, een laatste keer in oktober 2004.
Ik ben er nog steeds van overtuigd dat ik mijn leven te danken heb aan één Turkse man in het bijzonder, Simon Brod, die me over de volle 71 dagen dat het
schip in quarantaine lag in de haven van Istamboel, met voortdurend voorzag van water en eten. Ook toen ik in de gevangenis zat opgesloten, had hij ervoor gezorgd
dat een nabijgelegen restaurant me elke dag voedsel leverde in de gevangeniscel. Na mijn vrijlating bezorgde hij mij een treinticket naar Aleppo (Istalië)
en bracht me naar het treinstation."
In een interview dat hij in 2003 aan Haaretz weggaf, bevestigde David Stoliar dat het niet in zijn bedoeling ligt om de tragedie van de Struma te blijven herdenken,
maar aan de andere kant kan hij maar niet vatten hoe deze catastrofe zovele jaren in de vergetelheid bleef: "Het heeft een heel lange
tijd geduurd vooraleer de mensen zich realiseerden dat de Struma een betekenisvol deel van onze geschiedenis is."
Monument in Ashdod, Israël, ter nagedachtenis aan de 769 Joodse vluchtelingen die omkwamen op 24 februari 1942
toen hun schip de STRUMA op de Zwarte Zee werd getorpedeerd
door een Sovjet-Russische onderzeeboot
|
|
Laatst geupdate op ( Saturday 06 December 2008 )
|