|
Pagina 5 van 7
De Slachtoffers
Omdat er nooit iemand levend ontsnapt is uit het gruwelhuis van Petiot, zal het voor altijd een mysterie blijven op welke wijze Petiot zijn slachtoffers folterde, drogeerde, verstikte of op een andere gruwelijke wijze vermoorde. In het gruwelhuis werden wel de verzamelde werken van Markies de Sade aangetroffen alsook werken van Céline en Drummont waar uitgebreid de methoden werden genoemd en beschreven om via vergassing of verwerking in de riolen massaal joden uit te roeien.
De 27 geïdentificeerde stoffelijke overschotten (Petiot hield in een notaboekje de namen bij van 63) waren nagenoeg allemaal joden, mannen en vrouwen, meestal echtparen vergzeld met of zonder hun kinderen en bejaarden. Petiot zal ook later op de rechtzaak met geen woord reppen over de omstandigheden waarin zijn slachtoffers omkwamen en/of welke experimenten hij allemaal uithaalde. Dàt geheim heeft hij voor immer mee in zijn graf genomen.
Wanneer de politie de achtergrond doorlicht van Dr. Petiot kunnen ze twee slachtoffers identificeren in het slagershuis in de Rue le Sueur 21. Eén van hen was Jean-Marc Van Bever, een Parijse drugsverslaafde die zijn voorraad drugs haalde bij Dr. Petiot. In februari 1942, wanneer Van Bever werd opgesloten in een ontwenningshuis, bekende hij dat hij valse voorschriften kocht bij Petiot om zijn drugs te bemachtigen.
Van Bever verdween enkele dagen voor hij moest terechtstaan in maart 1942. De politie vermoedde op dat ogenblik nog dat Van Bever werd omgebracht door enkele kompanen uit de ondergrond. Twee jaar later moesten zij wel hun vergissing inzien toen de gruwelijke ontdekkingen werden gedaan in de Rue le Sueur.
Een ander slachtoffer werd herkend als Marthe Khaït, de moeder van een andere verslaafde -ene Raymonde Baudet- die zich eveneens voor haar dagelijkse dosis liet bevoorraden door Petiot. Baudet werd in maart 1942 opgesloten, twee weken voor Van Bever was verdwenen. Bij Petiot groeit het idee om Marthe Khaït te manipuleren en zich vrij te pleiten van het schavot. Hij stelt haar voor om meineed te plegen door te verklaren dat de voorschriften van Raymonde Baudet -die op de naam van haar moeder werden uitgeschreven- in werkelijkheid voor Marthe waren bestemd, en aldus de beschuldiging tav. Petiot afzwakte. Khaït stemde aanvankelijk toe, maar veranderde opnieuw van mening. Zij verdween op 26 maart.
Later ontving haar echtgenoot twee letters van Marthe waarin ze te kennen gaf het land te willen verlaten. De echtgenoot zocht Petiot op, die de plannen om het door de nazi's bezette Frankrijk te verlaten. Niet helemaal overtuigd geeft Raymonde Baudet haar moeder als vermist aan op 7 mei 1942. Maar tot de ontdekking van haar stoffelijke resten in het knekelhuis in de Rue le Sueur twee jaar later, bleef zij van de aardbodem verdwenen.
In juli 1942 wordt Petiot toch schuldig bevonden voor beide drugsdelicten. Hij wordt veroordeeld tot een geldboete van 10.000 Francs voor elk misdrijf maar in beroep wordt dat bedrag verminderd tot het totaal van 2.400 Francs. Politie inspecteur Roger Gignoux verdenkt Petiot ervan Khaït en Van Bever te hebben vermoord maar hij kan niets bewijzen tot aan de ontdekkingen van de kadavers in maart 1944. Tegen die tijd had Petiot al lang zijn biezen gepakt.
De speurtocht naar Petiot begon niet eerder dan die bewuste dag op 13 maart 1944. Zijn vrouw Georgette en zijn zoon, werden verhoord in Parijs, alsook zijn broer Maurice. Maurice die niet goed opschoot met zijn broer Marcel, legde vrij vlug uitvoerige bekentenissen af en gaf toe grote hoeveelheden ongebluste kalk te hebben afgeleverd aan het huis in de Rue le Sueur 21, dit op bevel van Marcel. Maurice werd beschuldigd van samenzwering tot moord en op 17 maart opgesloten. Ook Georgette Petiot werd geïnterneerd op beschuldiging dat zij haar man zou geholpen hebben bij de moorden.
De Duitse commissaris Robert Jodkum bracht het motief aan voor Petiot's moorden, samen met details toen Petiot 8 maanden in arrest werd gehouden door de Gestapo. Petiot was in mei 1943 gearresteerd, samen met drie van zijn handlangers, op verdenking van het smokkelen van joodse vluchtelingen uit bezet Frankrijk. Op zoek naar getuigen, vond de politie een Parijzenaar die plannen koesterde om te vluchten maar van gedachten veranderde. De man legde getuigenis af tav Petiot die hem tegen een bedrag van 25.000 Franse Francs hem had aangeboden om naar Zuid-Amerika te helpen vluchten en hem daar alle noodzakelijke reisdocumenten zou verschaffen.
Een ander slachtoffer die toch inging op de 'service' van Petiot, was Joachim Guschinov, a joodse bonthandelaar. Gushinov verdwijnt in januari 1942. Met hem 'verdwijnen' ook al zijn waardevolle bezittingen in biljetten twv. 500.000 Franse Francs, vijf mantels in sabelbont, veel goud, zilver en diamanten ter waarde van wel zeker 700.000 Francs. Ook zijn stoffelijke resten werden geïdentificeerd in het beruchte knekelhuis.
Eens dat de 'vluchtroute' werd ontmaskerd, had de politie geen enkele moeite meer om de medeplichtigen op te pakken. Een jeugdvriend van Petiot, René-Gustave Nézondet, werd gearresteerd op 17 maart 1944. Een vriend van Nézondet, Roland Porchon, werd op dezelfde dag ingerekend en bekende 'klienten' te hebben aangebracht aan Nézondet en Petiot. In juli 1942, vertelde Porchon aan de inspecteurs, had Nézondet hem over Petiot gesproken als 'de koning van alle criminelen' en dat hij beweerde 16 ontkleedde uitgestrekte lichamen had gezien in de kelderverdieping van de Rue le Sueur 21.
Een tweede getuige sprak tegen dat Nézondet Petiot had geholpen met het verbergen van de lijken. Nézondet van zijn kant, ontkent aanvankelijk alle hem ten laste gelegde beschuldigingen, maar op 22 maart 1944 zwicht hij en legt bekentenissen af. Hij had een verschillende chronologie voor het verhaal. Hij beweerde dat hij voor het eerst van de slachtingen in de Rue le Sueur had gehoord in november of december 1943 toen Petiot werd vastgehouden door de Gestapo. Behalve de lijken had hij ook een logboek gezien -dat zoek was- waarin een lijst voorkwam waar 50 tot 60 namen van slachtoffers stonden genoteerd.
Zes anderen werden gearresteerd tijdens de jacht op Dr. Petiot, ondermeer een kapper die potentiële 'klienten' doorverwees vanuit zijn kapperszaak in de Rue des Mathurins. Ook Albert en Simone Neuhausen, werd vastgehouden voor heling van gestolen eigendommen nadat ze ze hadden bekend dat ze hadden geholpen om reiskoffers en bagage te verhuizen uit de Rue le Sueur 21. De meeste verdachten werd vrijgelaten in april 1944, behalve Nézondet die nog 14 maanden in verzekerde bewaring werd gehouden. Marcel Petiot was nog steeds op de vlucht op 6 juni 1944 wanneer de geallieerde strijdkrachten in Normandië voet aan de grond krijgen, met het gevolg dat het onderzoek en de jacht op Petiot voorlopig werd stop gezet.
|