Het uitschakelen van ongewensten ging gepaard met ongelooflijke brutaliteit en selectieve slachtpartijen. Onder bevonden zich
ook de homoseksuelen. In de zomer van 1940 beval Heinrich Himmler om homoseksuelen "die meer dan één
partner verleidden" hen na het uizitten van hun gevangenisstraf, op te sluiten in de concentratiekampen. Deze "preventieve
opsluiting" (Schutzhaft) kon verkort worden op voorwaarde dat de persoon in kwestie vrijwillig toestemde tot castratie
of, nà 1942, onder dwang op bevel van de kampcommandant. Het akkoord dat in september 1942 tussen Himmler en de Duitse
minister van Justitie werd gesloten, voorzag dat overtreders van Paragraaf §175 net zoals "gewoonte criminelen"
vanuit de ministeriële gevangenissen werd getransporteerd naar de SS kampen.
Door de oorlogsdirectieven van Himmler werden duizenden homoseksuelen naar de kampen gestuurd om
er zware dwangarbeid te verrichten. De zogeheten campagne "uitroeiïng door arbeid" dwongen
homoseksuelen in barre omstandigheden zware arbeid in de steengroeven uit te voeren dikwijls met fatale afloop.
Makkelijk herkenbaar aan hun roze driehoeken vormden de homoseksuelen -de zogeheten »175ers«- een makkelijke prooi
voor lichamelijk en zelfs seksueel geweld door SS kamp bewakers. De homoseksuelen werden door de andere gevangenen angstvallig
gemeden, bang om met hen geassocieerd te worden en hetzelfde lot te ondergaan. De »175ers« sleten hun erbarmelijke
bestaan in de grootste afzondering en eenzaamheid, helemaal onderaan de hiërarchie van de kampen.
Al bij hun aankomst werden homoseksuelen vrijwel meteen gescheiden van andere gevangenen en ingedeeld in strafcompagnieën en
speciale arbeidscommando's die te werk werden gesteld in het zogenaamde Klinckerwerk (de steengroeve). In deze groepen was
het sterftecijfer bijzonder hoog. Alleen al in de zomer van 1942 vonden in tijd van zes weken minstens 89 homoseksuele gevangenen
op gruwelijke wijze de dood tijdens een gerichte moordaktie van de SS.
In de jaren 1933 en 1945 werden naar schatting tussen de 50.000 en 63.000 personen op verdenking van homoseksuele handelingen
veroordeeld en kwamen er tussen de 5.000 en 15.000 om die reden in concentratiekampen terecht. Zestig procent van hen overleefde de
kampen niet. Alleen al in Sachsenhausen werden vanaf eind 1939 tot midden 1943 ruim 600 homo's vermoord.
Slachtoffers van Paragraaf §175 waren meestal onopvallende mannen met alledaagse beroepen, maar andere waren weer relatief
bekende persoonlijkheden zoals bijvoorbeeld de beeldende kunstenaar Richard Grune en cabaretier
Robert T. Odeman. Ondanks de terreur van de SS wisten homoseksuele kampgevangenen een netwerk van onderlinge steun
en solidariteit te onderhouden; er was zelfs sprake van een illegaal cultureel leven in het kamp. Richard Grune schreef tijdens zijn
gevangenschap twee boeken met liederen over het kampleven.
Robert T. Odeman werd in Berlijn twee keer veroordeeld (in 1937 en 1942) op grond van homoseksualiteit. Eind
1944 werd hij naar Sachsenhausen gestuurd. In april 1945 wisten hij en twee andere homoseksuele mannen te ontsnappen tijdens een van
de beruchte dodenmarsen. Evenals andere homoseksuele kampoverlevenden, kreeg hij nooit enige vorm van schadeloosstelling.
Eén van de bekendste gevangenen uit Sachsenhausen is ongetwijfeld de Oostenrijker Josef Kohout,
die in 1972, onder het pseudoniem Heinz Heger, zijn ooggetuigenverslag "Die Männer mit dem rosa Winkel"
publiceerde. Kohout zat de eerste maanden van 1940 gevangen in Sachsenhausen; in mei van dat jaar werd hij overgebracht naar KZ
Flossenbürg.