Door de geografische spreiding van zijn organisatie wordt Louette verplicht om zijn verzetsgroep te reorganiseren. Hij verdeelde
het actieterrein in verscheidene sectoren, elk aangevoerd door een verantwoordelijke leider. De leden kregen allemaal een nummer
en waren enkel bij hun nummer gekend en niet bij naam. Zo kregen bestuursleden een '0' (zero)-nummer. Naar het einde van de oorlog toe telde de Witte Brigade 3.578 (erkende)
leden waaronder wel 125 leiders.
Ondertussen is de Gestapo Marcel Louette op het spoor gekomen door het verraad van een infiltrant en werd Marcel Louette
vanaf juni 1942 gedwongen om onder te duiken. Tot 23 juni 1942 was Marcel de leider geweest van de Antwerpse sectie maar nam vanaf
dan het bevel over van de Witte Brigade over gans Noord-België. Vanuit zijn vele onderduikadressen organizeerde Louette verder het verzet.
De groep hield zich niet enkel bezig met contrapropaganda, maar met ook alle andere takken van verzet tegen de bezetter zoals
sabotage. In elke sector werd een speciale sabotagekern opgericht, die een waaier van sabotageactiviteiten ontplooide. Dat ging
van het vernietigen van signalisaties of doorknippen van telefoonkabels tot het dynamiteren van bruggen en spoorwegen.
De Britse generaal majoor Colin Rubbins berekende na de oorlog dat de Witte Brigade met al haar plaatselijke
kernen op één maand tijd meer dan 800 transporten per spoor ontregelde, 42 treinen liet ontsporen en 65 bruggen
onklaar maakte! Zo werden in oktober 1943 nabij Mechelen sporen losgeschroefd waardoor een munitietrein ontspoorde. In
Heist-op-den-Berg werd de spoorlijn Lier-Herentals opgeblazen en aan het station van Haine-Saint-Pierre vlogen 17 locomotieven
de lucht in. In Zeebrugge stak de locale sector in 1943 een opslagplaats van camouflagemateriaal in brand en werd een trein
met benzinetankwagens opgeblazen.
Daarnaast kende de Witte Brigade tevens een geduchte gewapende sectie. Wapenopslagplaatsen werden aangelegd te Leuven, in het
Ter Rivierenhof te Deurne maar vooral in het Vleeshuis van Antwerpen[!]. Vanaf de zomer van 1942 wanneer de eerste jodenrazzia’s te Antwerpen en Brussel plaatshebben, helpen de Witte Brigadisten
joodse families en kinderen alsmede andere vervolgden onderduiken. Een groot deel van de bevolking was zo geschokt door de
brutale jacht op weerloze joodse families, dat dit voor velen de weg naar het verzet opende. Heel wat leden van de Witte Brigade
zetten zich speciaal in voor de joden door voor hen een nieuw schuiloord te zoeken, meestal onderuikadressen op het platteland en
de Ardennen, ze bezorgden hen rantsoeneringskaarten, geld, en soms ook valse identiteitspapieren.
Met de steun van de verzetsgroepen, waarin de Witte Brigade een meer dan verdienstelijke rol heeft gespeeld, zullen uiteindelijk
ongeveer 34.000 joodse burgers (op een totaal van 66.651) uit de handen van de Duitse bezetters blijven. De rol van de Witte
Brigade is bij de voorbereiding en tijdens de bevrijding van België van enorm groot belang geweest. Onder meer tijdens
de bevrijding in Merksem door Canadese soldaten speelden de verzetslieden een cruciale rol. Ook ten noorden van het land speelde
de Witte Brigade een belangrijke rol waar zij samen met de Britten de Duitsers verjaagden.
De groep speelde eveneens een belangrijke rol bij de bevrijding van de haven van Antwerpen; de leden werkten samen met het
Geheim Leger, het Onafhankelijkheidsfront en de
Groep G om met succes de vernieling van de Antwerpse haveninfrastructuur door het
terugtrekkende Duitse leger te voorkomen. Al hun activiteiten en sabotagedaden waren bijzonder nefast voor het moreel van de
Duitse troepen en een aantal geslaagde acties verhinderden daadwerkelijk de goede afloop van Duitse operaties of verplaatsingen
en de Gestapo en de Sicherheitsdienst maakten voortdurend jacht op de verzetstrijders.