|
Het Joods Verdedigingscomiteit (JVC/CDJ) |
|
|
|
|
Friday 16 July 2004 |
|
Pagina 4 van 6
"Redt onze kinderen!"
In het Brusselse, en meer bepaald in de bekende wijk 'De Marollen' was vooral Andrée Geulen actief. Zij trad in januari 1943 toe tot het verzet en werkte voor de zogenaamde 'plaatsingsdienst' van het clandestiene Joodse Verdedigingscomité. Al snel hield het JVC zich nog enkel bezig met hulp te verstrekken aan ondergedoken kinderen. In mei 1943 leefden 1.300 joodse kinderen ondergedoken. Tegen het eind van 1943 waren het er reeds 2.000 en stonden er nog 1.000 kinderen op de wachtlijst voor een plaatsingsadres.
Andrée Geulen in een interview met Joost Loncin (zie bronnen): "De ouders brachten nooit zelf hun kinderen weg. Ofwel gingen wij die ophalen, ofwel bracht een buurvrouw, een vriendin of de onderwijzers hen naar een afgesproken plaats, bijvoorbeeld aan het station waar het vertrek voorzien was van een groep kinderen naar een of ander jeugdtehuis. Er gingen altijd wel drie of vier joodse kinderen mee. Die kon ik niet allemaal tegelijk ophalen. Bovendien ging ik ook eerst de koffer ophalen als ik met één kindje ergens naartoe trok. Ik deponeerde de koffer in het station en dan keerde ik terug om het kind op te halen. Want vooral in de jodenbuurten werd er onafgebroken gepatrouilleerd en dan zou een dame en een kind èn een koffer opvallen. We stonden als vrouwen tegenover de Gestapo. Heel alleen. Ze wisten het, hé, die van de Gestapo, dat er een organisatie bestond. Ze zagen het altijd weer bij de razzia's. Wanneer joodse ouders gevangen werden genomen, vonden de Duitsers geen kinderen. Maar ze kregen onze organisatie nooit in hun klauwen. De ouders werden ondervraagd. Maar ze wisten niets omdat we nooit zegden waar we de kinderen verstopten. De ouders konden ons zelfs niet verraden."
Er werd een ingenieus veiligheidssysteem uitgedokterd om de identiteit en het onderduikadres van de kinderen te bewaren. Om veiligheidsredenen werd de namenlijst in vier delen opgesplitst. Een eerste lijst bevatte de echte naam van het kind met zijn codenummer. De tweede lijst het codenummer met een valse naam.
De derde lijst de valse naam met het codenummer van de onderduikplaats. De vierde lijst tenslotte was die met de onderduikplaatsen en hun codenummer. De vier lijsten werden dan nog eens apart bewaard. Slechts wanneer de vier lijsten naast elkaar lagen, kon men achterhalen wie wie was en waar het schuiloord zich bevond. De valse namen meosten min of meer herkenbaar blijven. Zimmermann werd Timmermans; Steinberg werd Van Steenbergen en Weinberg werd Van Wijnsberghe en zo verder.
Duizenden joden, van wie de meerderheid arm was, helpen onderduiken, en daarna in leven houden, kostte handenvol geld. Niet in het minst doodat in het begin van 1943 de meeste joden door hun spaarcenten zaten. In Brussel alleen al keerde het JVC in december 1943 meer dan 1,2 miljoen BEF (30.000 euro) hulpgeld uit. Benjamin Nykerk, een joods-Nederlandse zakenman, zorgde voor de nodige fondsen. Hij pendelde regelmatig clandestien naar Zwitserland waar hij contact onderhield met de Belgische regering in ballingschap en met een Amerikaanse hulporganisatie Joint (American Jewish Joint Distribution Committee.) Benjamin Nykerk werd later opgepakt door de nazi's en stierf in gevangenschap.
In het begin van de onderduiktijd werden er relatief meer joodse kinderen verborgen in Vlaanderen. Die uit Antwerpen en Brussel werden ondergebracht in de Limburgse Kempen en in Vlaams-Brabant. Naarmate het CDJ/JVC zich beter organiseerde werden er meer joodse kinderen naar Wallonië gezonden.
|
|
Laatst geupdate op ( Saturday 23 December 2006 )
|