In 1944 was de Wachtbrigade aangegroeid tot ongeveer 5.000 eenheden: 5 bataljons geleid door ongeveer 80 officieren.
De leden van de Vlaamsche Wachtbrigade werden in juni 1944 verplicht om de eed van trouw aan de Führer Adolf Hitler
af te leggen: "Ich schwöre dir, Adolf Hitler, als Führer Treue und Tapferkeit. Ich gelobe
dir und den von dir bestimmten Vorgesetzen Gehorsam bis in den Tod, so wahr mir Gott hilfe." Turcksin vroeg in een brief
de toestemming aan Henrik Elias om zijn Wachtbrigadisten de Führer-eed te laten afleggen. VNV-leider Elias was enthousiast
en antwoordde Turcksin op 25 juni 1944: In mijn hoedanigheid van Leider van het VNV, geef ik u volgaarne de toelating aan
de leden der Wachtbrigade, trouwe leden van het VNV, mee te delen dat ik volkomen akkoord ga met deze eedformule en met de daaruit
voortspruitende verplichtingen."
Deze eed betekende concreet dat de collaborateurs vanaf dat ogenblik tegen gelijk wie en op gelijk welk deel van het front
konden worden ingezet, m.a.w. niet enkel tegen de geallieerde Russen in het oosten maar ook tegen de geallieerde strijdkrachten
in het westen en dus ook tegen de eigen bevolking. Niet alle Wachtbrigadisten waren het eens en weigerden deze eed af te leggen
en deserteerden uit het Wachtkorps.
In het voorjaar van 1944 ontstond bij Turcksin het idee om de Vlaamse Wachtbrigade om te vormen tot een Flakbrigade
(Flak=Fliegerabwehrkanonen, luchtafweergeschut/luchtdoelbatterij) om op die wijze te voorkomen dat de Brigade zou ingelijfd worden door de Waffen SS en
rechtstreeks zou worden ingezet aan het front. Turcksin meende dat hij alzo de eigenheid van zijn korps kon bewaren. Hij krijgt
toestemming van de nazi's om een cadettenschool op te richten om van een aantal van zijn jonge wachters toekomstige officieren
bij de luchtmacht te maken. 40 officieren van de in opbouw zijnde Vlaamse Flakbrigade werden naar Knokke gezonden om daar
gedurende drie maanden hun opleiding te krijgen.
Tijdens de voorbije drie maanden waren ongeveer 2.000 leden van de voormalige Wachtbrigade overgestapt naar de
Flämische Flakbrigade. Kort voor de bevrijding kwam de eerste Flakbrigade batterij klaar en kon van dan af
ingezet worden. Driehonderd Flaksoldaten bedienden acht luchtafweerbatterijen van 8,8 mm, vier vierlingen en acht stukken met
twee lopen. De Flakbrigade was een onderdeel van de Luftwaffe en de leden er van droegen een grijs-blauw Luftwaffe-uniform met rode
spiegels op de kraag en was normaal bewapend. Op haar hoogtepunt zal de Flakbrigade ongeveer 2.000 Vlamingen in dienst hebben.
Intussen was tijdens de periode van opbouw van de Flakbrigade de provincie Limburg in een spiraal van geweld verwikkeld waarin
ook de Flabrigade werd betrokken en dat op rechtstreeks bevel van VNV-leider Elias. Onder leiding van VNV-Politiechef
Albert Blommaert trokken een honderdtal brigadisten de straat op. Blommaert had op 9 augustus 1944 van VNV-leider
Piet Wynendaele twee zwarte lijsten gekregen met de namen van zeventig Limburgers die geliquideerd moesten
worden. Ook Christiaan Turcksin was hiervan op de hoogte. Na de oorlog zullen de verschillende VNV-leiders hiervoor zich moeten
verantwoorden, wat ondermeer leidde dat Theo Brouns op zijn naoorlogs proces werd veroordeeld tot de doodstraf en op 28.03.1946
werd gefusilleerd.
Turcksin had op 13 augustus 1943 in Brussel tijdens de plechtige eedaflegging van de Wachtbrigade aan de Führer Adolf Hitler,
in aanwezigheid van Henrik Elias, Dr. August Borms en de Duitse Luchtmachtgeneraal Wimmen, zijn Wachtbrigade officieel omgedoopt
naar Flämische Flakbrigade. De Vlaamse Flakbrigade werd toegevoegd aan Luftgau IV Wiesbaden. Turcksin
wordt stafofficier met de rang van Obersleutnant. Ook leden van de Vlaamse Wacht
vonden hun weg naar de Flakbrigade, maar het overgrote deel van hen zal worden ingelijfd bij de Waffen-SS, vooral dan bij het
SS-Freiwillige Grenadier-Division Langemarck. Andere
Vlaamse Wachters die zich weigerden te laten inlijven bij de Waffen-SS of geen heil zagen in de Vlaamse Flakbrigade, vluchtten
terug naar België of werden te werk gesteld in de Duitse oorlogsindustrie.
Intussen waren de geallieerde legers snel opgetrokken, bevrijdden op 25 augustus 1944 Parijs en stootten snel door naar de
Belgische grens. Turcksin besluit te vluchten richting Nederland en hij vestigde, in opdracht van het Luftgaukommando,
in Nijmegen zijn verzamelpunt van de Vlaamsche Flakbrigade. Begin september 1944 vluchtten de Brigadisten massaal het
land uit naar Nijmegen. In Nijmegen meldde Turcksin zich met zijn Brigadisten aan bij Luftwaffe-generaal en militair
bevelhebber voor Nederland Christiansen die tevens Oberbefehlshaber was van de Luftgau Nord. Turcksin krijgt als voorlopig
verblijf de Flakkazerne van Lippstadt toegewezen en trekt er met zijn overgebleven 2.000 manschappen naar toe.
Flakbrigade officier Bert Meuris zette intussen enkele afdelingen in om de wacht te betrekken op het vliegveld van
Düsseldorf. Turcksin heeft intussen een onderhoud met Luftwaffe-generaal Harlinghausen en krijgt van hem de opdracht om zich
met zijn Brigade naar Germersheim te begeven om er aan de Rijn een bruggehoofd te vormen. Hoofddoel was de verdediging van de
brug van Germersheim. Turcksin verplaatst zijn hoofdkwarrtier naar Dauborn in de omgeving van Wiesbaden en de ganse Vlaamse
Flakbrigade wordt overgebracht naar Germersheim om daar een bruggehoofd te vormen en de brug tegen geallieerde luchtaanvallen
te beschermen.
De staf van de batterijen was gevestigd in Philippsburg. De batterijen werden opgesteld links en rechts van
de Rijn: Bellheim, Lingenfeld, Liedolsheim en Rheinsheim. De Duitsers waren erg tevreden over de Vlaamse militaire collaborateurs.
Generaal Harlinghausen en Oberst Eckener, chef van de Luftgau-Flak heetten de Flämische Flakbrigade "de best georganiseerde eenheid van
gans hun bereik". Het Von Rundstedt-offensief (Slag om de Ardennen) was tijdens de winter op enkele weken doodgebloed en het Duitse
westfront stort in elkaar. De Vlaamse Flakbrigade in Germersheim had de nazi's goed 'geholpen' en de oprukkende Amerikanen zware
verliezen toegebracht, maar kreeg instructies om zich terug te trekken naar Friedrichshafen.
Turcksin echter beseft dat zijn verhaal voorbij is en besluit te vluchten, naar Zwitserland of naar elders. Met zijn koffers
bulkend van Duitse Reichsmarken, valse paspoorten, voldoende mondvoorraad, wapens en materiaal, zette Turcksin het met drie van zijn kompanen
op de loop. Het viertal verkleedde zich als zigeuners[!], schafte zich voor veel geld een huifkar en een muilezel aan en doolde nog
een tijd rond in het uiteenvallende Derde Rijk. Aangekomen in Fulda werd Turcksin half mei 1945 opgepakt door de Amerikaanse opsporingsdienst en
opgesloten in de gevangenis van het bisdom Fulda. Na ondervraging werd hij opgesloten in het strafkamp van Ziegenhain en later overgebracht
naar de militaire gevangenis van Frankfurt.
België had intussen om de uitlevering van de Brigadecommandant verzocht en hij werd door de Belgische Staatsveiligheid
opgehaald en opgesloten in Brussel. In december 1945 werd Turcksin naar de gevangenis van Sint Gillis overgebracht in afwachting
van zijn proces. Op 18 maart 1948 werd Turcksin in eerste aanleg door de Krijgsraad van Brussel ter dood veroordeeld. Belangrijkste
beschuldigingen waren uiteraard de militaire collaboratie en 'de wapens opgenomen tegens ons land, haar bondgenoten hetzij tegen een staat
die oorlog voert waarmee België zelf in oorlog verkeert' (artikels 113 en 117 van het Strafwetboek zie ook hier).
In beroep werd door het Krijgshof te Brussel het vonnis gehandhaafd. Hij weigerde een genadeverzoek in te dienen, want hij heeft zich nooit schuldig gevoeld omtrent zijn
collaboratieverleden. Zijn straf werd inmiddels omgezet in levenslange hechtenis. De volgende jaren in gevangenschap was hij
in de schrijnwerkerij van de gevangenis tewerk gesteld. In november 1957 werd Turcksin vrijgelaten uit de gevangenis van
Sint Gillis. Enkele weken na zijn vrijlating emigreerde Turcksin naar Duitsland om nooit meer weer te keren.
Christiaan Hendrik Turcksin overleed op 20 januari 1987 in het Duitse Detmold-Berlebeck (Nordrhein-Westfalen). Hij was bijna
vierentachtig jaar oud.
Turcksin heeft nooit gesproken noch bekentenissen afgelegd en ook nooit spijt betoond over zijn daden. Ook in zijn memoires die tussen 1980 en 1984
door de auteur Jos Vinks op schrift werden gesteld en uitgebracht in 1998, klinkt niet het minste berouw door. Noch dat hij met zijn Brigadisten
actief het verzet bestreed, noch dat zijn Flakbrigade Amerikaanse vliegers beschoot en vele geallieerde vliegtuigen neerhaalde en
hun bemanningen doodden, noch dat hij de eed van trouw aan de Führer Adolf Hitler aflegde met zijn ganse brigade en de facto zijn
zogenaamde 'Vlaamse idealen' verkwanselde aan de nationaal-socialisten. Geen woord ook in zijn memoires over de zes miljoen vermoorde joden
en jodenvervolgingen.
Toppunt in zijn memoires is wanneer hij verhaalt over zijn vlucht toen hij zich met zijn kameraden als
zigeuners vermomde, kompleet met muilezel en huifkar. Naast de joden, waren de zigeuners de tweede grootste groep die door het nationaal-socialisme
moesten uitgeroeid worden. Naar schatting tussen de 600.000 en 800.000 zigeuners kwamen om, voor het merendeel in KZ Auschwitz.
Op de laatste pagina (blz 290) van zijn memoires maakt Turcksin het nog eens extra duidelijk: "Want als ik iets heb om mij op te roemen,
dan is het datgene wat de zo vaak misbruikte soldatenleuze formuleert: Mijn eer is trouw!", naar de SS-eed 'Meine Ehre Heisst Treue' van
Heinrich Himmler, Adolf Eichmann, Jozef Mengele en Reinhard Heydrich en zovele andere illustere figuren van het Derde Rijk.