"Er bestaat in Vlaanderen geen verzetsliteratuur die naam waardig. Er bestaat wél
een uitgebreide collaboratie-literatuur, die tracht de Vlaming te vereenzelvigen met het slachtoffer van de repressie. Deze vaststelling [..] situeert de schrijvende
Vlaming", schreef Jef Turf in 1971 in het voorwoord van Partizanen in Vlaanderen,
het verslag dat Louis Van Brussel in 1971 neerschreef over zijn activiteiten als commandant
van het Leuvens Korps van de Gewapende Partizanen
Wie met de bezetter had gesympathiseerd, wie aan het Oostfront aan de zijde van de Waffen-SS tegen de geallieerde strijdkrachten had gestreden, kreeg in
extreemrechtse nationalistische kringen de eretitel van held en idealist, terwijl iedereen die ooit bij het verzet actief was geweest, zonder pardon werd bestempeld
als moordenaar, crimineel, boef en uitschot. Je land verdedigen tegen een dictatoriale bezetter werd (en wordt nog steeds) door hen gekapitteld als een misdaad
tegenover het Vlaamse volk, collaboreren daarentegen een verschoonbare daad voor het heil van Vlaanderen en gezegend christendom.
Indien deze Vlaams-nationalistische collaborateurs meteen na het einde van de Tweede Wereldoorlog bereid waren geweest om hun fouten in te zien en een groot mea culpa te slaan,
dan zou er nooit een eis tot amnestie hebben bestaan. Met de Wet-Vermeylen uit 1961 werd het voor de collaborateurs inderdaad mogelijk om door hun
fouten toe te geven zij hun sociale rechten konden terugkrijgen, iets wat vele collaborateurs ook daadwerkelijk hebben gedaan. Een harde kern deed dat
echter niet (of deed alsof) en ipv een schuldbekentenis lanceerden de hardleerse collaborateurs (de 'zwarten') van weleer en met de hulp van hun ideologische erfgenamen
opnieuw een offensief: niet zij waren de schuldigen maar 'de smeerlappen van het verzet'.
Die harde kern van Vlaams-nationalisten verenigden zich na de oorlog in verenigingen zoals bv Broederband, Noordstarfonds, Sint-Maartensfonds e.a., waarvan
haar leden actief werden in verscheidene politieke organisaties en partijen. Zij waren aanvankelijk terug te vinden in de Vlaamse Concentratie (de directe voorloper
van de Volksunie, thans uiteengevallen in N-VA en Spirit) en in de katholieke partij CVP (thans CD&V). Sinds 1977 hebben zij zich voornamelijk in en om
het racistische Vlaams Belang (=Vlaams Blok) geschaard, onder het commando van een triumviraat: Philippe Dewinter, Gerolf Annemans en Frank Vanhecke.
In die middens geld nog steeds dat je als zoon of dochter van een 'zwarte' alle deuren onmiddellijk voor je opengaan. Een zoon van een 'witte' zal het heel wat
moeilijker hebben en voor eeuwig gewantrouwd worden. De bijnaam 'zwarten' komt in feite van de Vlaams-nationalistische collaborateurs die zich bij voorkeur
in zwarte uniform kleedden naar analogie van de Zwarte Brigade, de militie van het antisemitische VNV (Vlaams Nationaal Verbond) van Staf de Clercq. De 'witten'
waren de mannen en vrouwen van het verzet die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de volksmond bekend waren als de Witte Brigade, zoals de tientallen groeperingen
van het verzet in België tijdens WO II in het algemeen werden aangeduid. Het is nooit goed gekomen tussen 'zwarten' en 'witten'.
De verheerlijking
door het Vlaams Belang (en haar talloze randorganisaties en obscure vzw's) van de collaborateurs van toen zoals Staf de Clercq, Cyriel Verschaeve, Dr. August Borms
en vele anderen, blijven tot op de dag van vandaag bij oudgedienden van het verzet, verzetslieden die de kampen overleefden alsook bij hun nazaten en achtergebleven
familieleden, oude wonden openrijten. Ik doe niet eens de moeite meer om citaten uit de kast te halen die hun verheerlijking van de collaboratie met nazi-Duitsland
moeten bewijzen. Er is recent materiaal voldoende voorhanden.
Tot groot ongeloof en verbazing van zowel vriend als vijand kon iedereen op 28 augustus 2005 het zoveelste betoog van Philippe Dewinter in het Israëlisch
magazine Ha'aretz omtrent zijn onbreekbare band met het antisemitische VNV en Staf de Clercq met eigen ogen vaststellen (bron: Ha'aretz). In dat bewuste
interview over zijn diepe verering
voor supercollaborateur Staf De Clercq (1884-1942) aan de tand gevoeld verdedigde Dewinter zich in Ha'aretz als volgt:
“He is one of the historic leaders of the party. This is part of the history of the Flemish nationalist movement and it is
impossible to deny this. We are the descendants of this movement." [vert. "Hij is een van de historische leiders van de partij. Dat is een onderdeel van de
Vlaams-nationalistische beweging dat onmogelijk te ontkennen valt. Wij zijn de afstammelingen van die beweging."]
Elke collaborateur die na de oorlog werd gedoodvonnist en terechtgesteld, werd (en wordt nog steeds) door de erfgenamen van de Nieuwe Orde, die zich thans
herboren voelen in en om het Vlaams Belang, door hen verschoond en opgehemeld. Niet zij die met de nazi's heulden waren schuldig, beweren ze, maar integendeel
'slachtoffers' van de repressie, die volgens hen 'anti-Vlaams' zou zijn geweest, maar dat is een zoveelste mythe.
Eén van die 'martelaars' die tot op heden de 'goede zaak' van extreemrechtse nationalisten schaamteloos politiek wordt uitgebuit is die van de verklikster
Irma Laplasse. Irma Laplasse-Swertvaeger (1904-1945) had door verklikking aan de Duitsers op 8 september 1944, de dood van zeven leden van de verzetsorganisatie
het Geheim Leger-Armée Secrète op haar geweten. Zij moest zich in december 1944 voor het Krijgshof van Brugge verantwoorden voor haar misdaad
en werd veroordeeld voor verklikking in oorlogstijd met de dood van zeven betrokkenen als gevolg. Op dergelijke feiten voorzag de strafwet de doodstraf die ook effectief
werd uitgesproken, doodvonnis dat ook in beroep in februari 1945 werd bevestigd. Zij stierf op 30 mei 1945 voor het executiepeloton.