De Duitsers trokken zich na de massacre in de dorpskom van Oostduinkerke dorp, terug in de batterij en een achttal omliggende bunkers. Zij zullen niet makkelijk
overgeven en nog verscheidene dagen standhouden. De Canadezen hadden de volgende dag na de massacre reeds Oostduinkerke ingenomen maar de Duitsers bleven vanuit de
batterij het dorp onophoudelijk bestoken met obussen. Dit zal nog aan een achtste slachtoffer van het verzet het leven kosten. Louis Nowé
(º1917) werd op 10 september gedood toen toen een Duitse obus insloeg toen hij op dat ogenblik een Canadese patrouille begeleidde. Vier Canadezen
en Louis kwamen hierbij om het leven.
Irma Laplasse werd er meteen verdacht de zaak verklikt te hebben en op 9 september door enkele verzetsleden opgepakt en opgesloten. Ook haar man Henri en
zoon Fred Laplasse werden aangehouden op 10 september. Zij zullen pas in 1947 weer op vrije voeten komen. Irma en Angèle werden de volgende dag weer vrijgelaten en
prompt ingeschakeld door de Canadezen die het koppel naar de kustbatterij aan de Groenendijk stuurden om een voorstel tot overgave af te geven. De Canadezen wisten
van de dorpelingen en het verzet dat de Laplasse's 'goed de weg kenden naar de batterij en bevriend waren met enkele Duitsers.' Met een witte vlag in haar handen
trok het stel naar de batterij. Korte tijd later keerden ze terug met een briefje waarop de Duitse commandant had geschreven "Kommt nicht in Frage"
(vert. 'Geen sprake van'). Uiteindelijk zullen de Duitsers in de batterij zich pas op 12 september 1944 om 19u00 overgeven aan de Canadezen en konden 316 Duitse
manschappen worden ingerekend. Irma en Angèle waren na de overgave van de Duitsers weer vrij.
Op 11 september 1944 werden de 8 onfortuinlijke verzetsstrijders in intieme kring begraven op het kerkhof van Oostduinkerke. Intussen was de leider van het
locale verzet, André Counye, op zoek gegaan naar de daders, want ook zijn broer Gaston Counye en zijn schoonbroer Gerard Depape behoorden tot de
slachtoffers bij het verzet. Dat verklikking aan de basis lag van deze moorddadige raid door de Duitsers op 8 september bleek duidelijk omwille van de doelgerichte
en in tangbeweging oprukkende soldaten. Verschillende personen en 'zwarten' werden ondervraagd en enkele verdachten zelfs even aangehouden en weer
vrijgelaten. Het is pas op 30 september dat door een toeval de bal aan het rollen gaat.
Op 30 september zond Irma haar dochter Angèle naar het bureel van het Geheim Leger/Armée Secrète om toestemming te vragen om haar vader Henri
te bezoeken en hem eten te brengen. André Counye, die al geruime tijd de Laplasses als verdachten voor het verraad beschouwde, besloot om van de gelegenheid
gebruik te maken Angèle op de rooster te leggen. Het duurde niet lang of Angèle legt gedeeltelijke bekentenissen af die ze handtekent:
"Vrijdagnamiddag 8 september 1944 zijn we (moeder en ik) tot aan de batterij Groenendijk gegaan tot op de grote baan Nieuwpoort-Bad naar Oostduinkerke-Bad.
Wij zijn niet bij de Duitsers geweest, enkel tot aan het hekken."
Irma Laplasse wordt er diezelfde dag bijgehaald en bevestigt wat Angèle verklaarde: "Wij zijn naar de batterij geweest, mijn dochter en ik, langs de baan over de duinen tot aan
het hekken." Beide vrouwen blijven aanvankelijk wel ontkennen dat ze met een of meerdere Duitsers hebben gesproken. Counye besluit beide vrouwen aan
te houden en hen verder op de rooster te leggen. Tussen 2 en 5 oktober volgen er nog verschillende verhoren waarbij de getuigenissen met elkaar worden vergeleken
en tegen elkaar worden uitgespeeld met verdere compromitterende bekentenissen als gevolg.
Irma Laplasse: "Bij de terugkeer van de batterij zagen wij de Duitse uitkijkpost op de duinen, we hebben hen aangeroepen; de post die
bestond uit een onderofficier en twee man, kwam naar ons toe." Angèle praat hierna haar neus voorbij: "Ik heb die Duitse post
gezegd: mijn broer is gevangen genomen door de Witte Brigade, en ik heb gevraagd waar mijn vader was. Dit wisten ze niet. Maar ze hebben als antwoord gegeven: ge
moogt gerust zijn, ge zult Uw broeder terugzien. (..) Als mijn broeder thuis kwam (rond 22u00) heeft mijn moeder verklaard dat wij beiden de Duitsers verwittigd
hadden om hem te doen bevrijden. Hij heeft hierop geantwoord dat wij deze daad niet mochten gesteld hebben want dat daardoor veel mensen gedood werden. Hadden
wij moeten geweten hebben dat uit deze daad zulke erge gevolgen gingen voortspruiten, dan gingen wij dit niet gedaan hebben."
Irma ontkent eerst maar na confrontatie met haar dochter bekent ze toch enkele feiten en zegt: "Ik verklaar dat wat mijn dochter
heeft gezegd juist is. Ik zegde: mijn zoon is gevangen. Ik heb gevraagd de jongen te verlossen." Al deze bekentenissen werden gehandtekend door
beide vrouwen.
Irma en Angèle werden in de aanloop naar het proces op 6 december 1944 in het gemeentehuis van Oostduinkerke opnieuw verhoord door
substituut-krijgsauditeur Jean Vossen. Angèle werd eerst ondervraagd: "Toen mijn broeder op acht september door de
leden van de Witte Brigade aangehouden werd en naar de school overgebracht, dachten wij dat men hem ging doodschieten. Wij zijn dan mijn moeder en ik bij
afwezigheid van mijn vader die weggelopen was naar de batterij, naar Groenendijk-Bad gegaan; we konden er niet geraken daar de brug over de antitankgracht ter
hoogte van het hotel Père Omer ingezakt was. We zijn dan naar de verkenningspost gegaan van dezelfde batterij en hebben daar gevraagd aan de Duitsers
of mijn vader zich daar niet verscholen had. Wij hebben hen dan ook kennis gegeven dat mijn broeder afgehaald geweest was door de leden van de Witte Brigade
en overgebracht naar Oostduinkerke-dorp. (..) De Duitsers hebben ons dan beloofd van mijn broeder vrij te maken en dat we gerust mochten zijn dat wij hem gingen
terugzien. Wij kenden de Duitsers van de batterij goed."
Daarna was het de beurt aan Irma: "Mijn man was intussentijd hout gaan rapen in de richting van de batterij. In de namiddag ben ik dan
op zoek gegaan naar mijn man, die reeds van 's morgens halfnegen weg was om kwestie hout te gaan rapen en die des middags niet was komen eten. Wij zijn dan richting
batterij gegaan alwaar ik dacht mijn man te ontmoeten. Op onze weg hebben wij een Duitser ontmoet aan wie wij verteld hebben dat wij op zoek waren naar mijn man.
Die Duitser heeft ons gebracht naar het home Vandervelde om een beetje 'te klappen'. Ik heb aan die Duitser gezegd dat mijn zoon gevangengenomen werd door de
Witte Brigade en naar het dorp overgebracht geweest was.
De dienstdoende substituut confronteert vervolgens Irma met de verklaringen van Angèle die daarmee in tweestrijd blijken waarop Irma verklaart:
"Het is mijn dochter die de waarheid heeft gezegd en ik heb gelogen. Ik beken dat ik 's namiddags naar de batterij gegaan ben omdat mijn
zoon aangehouden was door de Witte Brigade. Ik ben niet tot aan de batterij geraakt, maar ik heb het gezegd aan de Duitsers in de verkenningspost. Deze hebben mij
gezegd 'dat we mochten gerust zijn' en zoals mijn dochter verklaart dat wij mijn zoon zouden terugzien."