Op 7 december 1944 werd Irma Laplasse in afwachting van haar proces, overgebracht naar de gevangenis Het Pandreitje in Brugge. Op 21 december 1944 moest Irma
voor de Krijgsraad verschijnen. Volgens de Krijgsauditeur had Irma Laplasse inbreuk gemaakt op de artikels 116 en 121bis van het Strafwetboek, die hij sub A) en sub B)
noemde in de akte van beschuldiging. Die betichtingen luidden als volgt:
• Sub A) Artikel 116: 'Met de dood wordt gestraft hij die voorwerpen, plans, geschriften, bescheiden of inlichtingen
die voor de vijand geheim moeten worden gehouden in het belang van de verdediging van het grondgebied of van de veiligheid van de Staat, geheel of ten dele,
in origineel of in reproduktie wetens overlevert of meedeelt aan een vijandelijke mogendheid of aan enige persoon die in het belang van een vijandelijke
mogendheid handelt'.
• Sub B) Artikel 121bis: 'Met opsluiting wordt gestraft hij die wetens, door aangifte van een werkelijk of denkbeeldig feit,
enige persoon aan opsporingen, vervolgingen of gestrengheden van de vijand blootstelt. Hij wordt gestraft met dwangarbeid van tien tot vijftien jaar, indien de
aangifte voor enige persoon vrijheidsberoving van meer dan een maand ten gevolge heeft, en zulks niet veroorzaakt is door een andere aangifte. Hij wordt gestraft
met de dood, indien de aangifte voor enige persoon ter oorzake van de ondergane hechtenis of behandeling tengevolge heeft hetzij de dood, hetzij een ongeneeslijk
lijkende ziekte, hetzij een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van een persoonlijke arbeid, hetzij een volledig verlies van het gebruik van een orgaan,
hetzij een zware verminking, en zulks niet veroorzaakt is door een andere aangifte.
Op nauwelijks één dag tijd werd door de Krijgsraad over het lot van Irma Laplasse beslist. Na een goed halfuur beraad werd het doodsvonnis over
haar uitgesproken. De advokaat tekende beroep aan, dat behandeld werd op 10 februari 1945 te Gent, alwaar het doodvonnis werd bevestigd. Diezelfde dag richtte
Laplasse nog een schriftelijk genadeverzoek aan Prins Regent Karel. Op 28 mei deelt de substituut aan Irma mede dat de Prins haar genadeverzoek op 23 mei had afgewezen.
Germain Demartelaere, inspecteur van de gerechtelijke politie, verklaarde veel later over het proces: "Het geval Irma Laplasse
was een zeer eenvoudige zaak. Het was één van de gemakkelijkste dossiers van de epuratie. Het werd zeer vlug afgewerkt. De vrouw was wel het slachtoffer van de
tijdsomstandigheden."
Op 30 mei 1945 omstreeks 6u30 werd Irma Laplasse uit haar cel gehaald en, met haar rug naar het executiepeloton gekeerd, aan de executiepaal vastgebonden.
Twaalf rijkswachters openden het vuur en het was zo voorbij. Irma Laplasse werd begraven op kosten van de staat op het kerkhof van Steenbrugge. Zeven jaar later
verwierf haar man Henri Laplasse een concessie. Zij wordt er nog jaarlijks herdacht door haar 'vrienden'.
Angèle Laplasse zat na de feiten van 8 september enkele dagen in hechtenis (tussen 2 en 5 oktober 1944) en verscheen 2 dagen na haar vrijlating voor de jeugdrechter van
Veurne die haar liet interneren in het heropvoedingsgesticht van de Zusters van Liefde te Gent. In 1947, op haar 18de verjaardag, kwam Angèle definitief vrij
en zal zich nadien nooit meer hoeven te verantwoorden in de Zaak Laplasse. In januari 1970 publiceerde zij 25 jaar na dato haar "Memoires", met haar
opgesmukte feiten van 8 september 1944. Het werd in feite een doorzichtige poging om, met behulp van de pseudo-wetenschappelijke uitleg van haar toenmalige
'mentor' Prof. Karel Van Isacker, haar moeder terug wit te wassen. Veertig jaar later werd om dubieuze redenen en onder druk van extreemrechts historie
geschreven in de annalen van de rechtspleging: het proces van 1945 moest opnieuw worden overgedaan!