Op 30 mei 1995, dag op dag vijftig jaar geleden nadat Irma Laplasse stierf voor het vuurpeloton, verbrak het Hof van Cassatie van Brussel het arrest van de
Krijgsraad in Brugge van destijds. Het herzieningsproces vatte aan op 7 december 1995. Wie erbij was en meende dat de Tweede Wereldoorlog al vijftig jaar voorbij was,
moest met eigen ogen vaststellen hoe snel en emotioneel het grijze verleden weer kan opduiken. Naast vele getuigen, werd ook de journalist en auteur van twee
boeken omtrent Laplasse (zie bronnen), Jean-Marie Pylyser, gehoord op het herzieningsproces. Geert De Jaeger in 1995 net vóór
de aanvang van het herzieningsproces: "Het onderzoek van Pylyser leverde nieuwe getuigenissen op waarbij zelfs een Duitse Feldwebel
verklaarde dat het verraad van een Belgische vrouw de oorzaak is van de Duitse aanval op de verzetslieden te Oostduinkerke. Een andere getuige onthulde dat Irma
Laplasse in de voormiddag in de batterij aanwezig was. Bovendien zegt een nieuwe getuige dat de Duitsers voor hun aanval in het dorp even halt hielden aan het huis
van Irma laplasse en vermoedelijk nog verdere informatie inwonnen."
Jean-Marie Pylyser had na een lange zoektocht een belangrijke getuige gevonden in Duitsland, met name de Duitse onderofficier Peter Lenz, die
op die fatale 8ste september 1944 in de uitkijkpost, die op ongeveer vierhonderd meter van de batterij was gelegen, aanwezig was geweest. Peter Lenz werd alras de
kroongetuige in dit proces. Op 16 januari 1996 werd Lenz onder ede verhoord door het Brusselse Gerechtshof:
"In de voormiddag, het uur kan ik niet meer zeggen, zijn een vrouw en haar dochter naar mij gekomen. Ik kende ze niet, ik had ze nog nooit
gezien. Belgische burgers hadden Duitse soldaten en haar zoon gevangen genomen en naar Oostduinkerke overgebracht. Ik heb die mededeling telefonisch doorgegeven aan
de commandobunker. (..) Ik heb (haar) gezegd dat een troep zou samengesteld worden. (..) De vrouw is weggegaan en misschien anderhalf uur later is een groep van de
batterij met een auto vertrokken langs de Kinderlaan en de Polderstraat, met aan weerskanten gewapende soldaten, naar Oostduinkerke-dorp. (..) Ik weet dat ik de
vrouw nog eens heb teruggezien een paar dagen later toen zij als parlementair met een witte vlag naar de batterij is gekomen. Er is toen een Duitse officier naar
buiten en bij haar gekomen. Dat was dezelfde vrouw."
Op 14 februari 1996 volgde dan de uitspraak, en las de voorzitter van de rechtbank Jos Durant het arrest van de rechtbank voor. Het vonnis telde
ruim 32 bladzijden waarin de rechtbank Irma Laplasse andermaal schuldig achtte aan de tenlasteleggingen:
"Door in de gekende omstandigheden
aan een Duits militair mee te delen dat het lokale verzet openlijk in actie was gekomen, deed beklaagde aan de vijand aangifte van een werkelijk feit dat de
enige persoon, met name de weerstanders die tot de aanhouding van Fredrik Laplasse overgingen en hun wapenbroeders, kon blootstellen aan zijn opsporingen,
vervolgingen of gestrengheden.
(..) Beklaagde bekende het wederrechtelijk karakter van haar gedraging. Zij kon niet anders dan weten dat zij, door aangifte te doen, de verzetslui die haar
zoon hadden aangehouden, aan vervolgingen van de vijand blootstelde. Zij deed dit willens en aanvaardde het risico, weliswaar om zodoende het andere doel te
bereiken dat zij nastreefde, de bevrijding van haar zoon."
Het Hof riep verzachtende omstandigheden en hield rekening met het feit dat Irma gehandeld had uit moederliefde en anderzijds weerhield het de aantijging of
de vrouw wel de enige informatiebron was geweest die had geleid tot het uitrukken van de Duitse vergeldings- en reddingsactie (Sub B) artikel 121bis). Het hof
veroordeelde Irma Laplasse tot levenslange hechtenis. Daarnaast verklaarde het Hof Irma Laplasse vervallen van haar burgerrechten, titels, graden, openbare ambten,
bedieningen en diensten waarmee zij bekleed is. Het Hof beval het uittreksel van dit arrest te drukken en aan te plakken.
Doordat het Hof van Cassatie, op aansturen van Minister Wathelet, het arrest van de Krijgsraad had laten verbreken en het herzieningsproces op
gang had gebracht vielen de kosten van de herziening ten laste van de Belgische Staat. Tevens het aanvullend onderzoek in Duitsland, in Canada en in eigen land
geschiedde tevens op kosten van de Belgische schatkist. Hierdoor kwam het tot de hoogst zonderlinge situatie waarbij de ganse bevolking bijdroeg aan het Proces
Laplasse, en het verzet verplicht werd haar eigen kosten te dragen. Die kosten waren ondertussen opgelopen tot 955.659 bef, omgerekend naar de huidige munteenheid:
23.690 euro! Dat bedrag werd verzameld en opgehaald bij diverse vaderlandslievende organisaties en personen.