Leopold Ureel, bijgenaamd Poltje Triep, is één van de zeven slachtoffers die door het verraad van Irma Laplasse zonder
vorm van proces werd neergekogeld door de Duitsers. Leopold, geboren in 1897, werd om zijn soldatenmoed vele keren gedecoreerd en dat al tijdens de Eerste Wereldoorlog
n.a.v. de slag aan de IJzer. Na de oorlog neemt hij zijn beroep van timmerman weer op en trouwt op 29 april 1920 met Alice Nowé. Ze krijgen samen zes kinderen:
in 1922 Margriet, in 1925 volgt Emiel, in 1932 Maurits, in 1939 de tweelingmeisjes Jeannine en Berthe 'Bertje' (zie verder) en in volle oorlogstijd in 1942
de jongste: Willy. Op de afbeelding rechts - het gezin Ureel kort na de oorlog - heeft zijn echtgenote Alice Nowé een kleine pasfoto van haar overleden man Leopold gekleefd.
Het toeval en het noodlot wil dat Leopold Ureel en de familie Laplasse al veel eerder met elkaar in aanvaring kwamen. In 1934 komt het tot een burenruzie tussen
de schoonvader van Irma, Louis Laplasse, en Leopold Ureel en die eindigt in een slaande ruzie waarbij Leopold Ureel hardhandig wordt aangepakt. Zijn ruggengraat
is geraakt en hij kan zich vanaf dan slechts moeizaam bewegen in een rolstoel of d.m.v. twee krukken. Zijn beroep van timmerman moet hij laten staan. Berthe Ureel:
"Dat was een burenruzie over de afspanning van wat duinenland en het ging ook over de garnalenverkoop. Mijn papa was een van de eerste garnaalvissers te paard.
Er is daar een proces geweest dat mijn papa heeft gewonnen maar is nooit uitbetaald omdat de Laplasses onvermogend waren. Datzelfde scenario heeft zich herhaald na
de gebeurtenissen van 1944."
Wanneer de Tweede Oorlog uitbreekt treden Leopold Ureel en zijn oudste zoon Emiel toe tot de locale afdeling van de verzetsgroepering het
Geheim Leger/Armé Sécrète. Ook schoonbroer Gust Nowé en schoonzoon Oscar Herrewijn doen hetzelfde. Op 8 september 1944 lijkt het spel
voor de Duitsers voorbij. Oostduinkerke maakt zich op voor de bevrijding en versiert het dorp met bloemen en kransen om de Canadezen te verwelkomen. Berthe Ureel,
toen nauwelijks zeven jaar oud: "Die namiddag stonden ik en mijn tweelingzus, oudere broer en mijn klein broertje die nog een baby was, de Canadezen op te
wachten aan het standbeeld van Oscar Jespers voor de gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog. We hadden bloemen mee voor onze bevrijders en tricolore lintjes
in ons haar. Die bewuste namiddag hadden voordien twee mannen van het verzet mijn vader komen halen om in actie te treden en de encivieken af te
halen."
Groot was hun verbazing toen niet de Canadezen in aantocht waren maar de Duitsers terugkwamen, nadat ze op de hoogte waren gebracht door Irma Laplasse die de
verzetsleden was gaan verraden bij de nazi's nadat haar zoon korte tijd door het verzet was opgebracht. Een daad met zware gevolgen: zeven doden.
Berthe Ureel: "We hadden ons verstopt op de zolder van Mieltje Peters de melkboer
en hebben in de namiddag veel schoten gehoord niet zo ver van ons. We wisten toen nog niet dat de moordpartij had plaatsgevonden. Als het schieten voorbij was zijn
we terug naar huis gegaan en in de vooravond is onze buurvrouw witte lakens komen halen en mijn moeder gezegd dat papa dood was. We zijn hem gaan opzoeken in de
jongensschool en ik dacht we gaan hem halen, maar dat beeld was zo schokkend, het waren allemaal lijken die daar lagen opgebaard op de schoolbanken. Het leken me
mummies."
Na de oorlog kan het onthoofde gezin Ureel maar met moeite de touwtjes aan elkaar knopen. Vanuit de gemeente komt niet de minste steun. Tot overmaat van ramp
zegt hun huisbaas in 1945 de huishuur op en moeder Alice staat met haar vijf kinderen op straat. Zij belandt met haar kroost in het fameuze hennekot van de zwartgezinde
pastoor Lambrechts. Dat hennenkot was een barak met op het eerste verdiep het leggedeelte voor de kippen. Het zal nog vele jaren duren en veel overenweer gereis
naar Brussel vooraleer Alice haar eerste armzalige weduwepensioentje mag ontvangen. In afwachting moet Alice zichzelf maar behelpen als schoonmaakster van
appartementen en villa's en doet met haar blote handen de was voor een heel hotel. Na haar werkuren gaat Alice tussendoor uit bedelen met haar achtjarige
tweeling Jeannine en Berthe.
Tweelingzus Jeanine Ureel: "Jarenlang zij wij de straat op gegaan met de collectebus waarop stond: 'De oorlogswees dankt u'. Wij leurden met penningen
of medailles of een bloemetje van de oorlogswees. Dan belde je aan en werd je vriendelijk te woord gestaan, of niet."
Opmerkelijk! In 1977 haalde het gezin van Alice Ureel-Nowé andermaal het nieuws over een door de pers breed uitgesmeerd verhaal over
oorlogskolen. Na het bloedbad van 8 september 1944 had de verzetsgroep de Witte Brigade van Oostduinkerke zakken kolen die afkomstig waren uit Duitse voorraden,
uitgedeeld aan de nabestaanden van de vermoorde verzetsmensen. Ook Alice Ureel kreeg toen een zak kolen toegewezen. Drieëendertig jaar later valt tot haar grote
verbazing een rekening in de bus van de dienst Registratie en Domeinen, om alsnog de openstaande rekening voor die levering van kolen ten bedrage van 541
franken te vereffenen.
Sommigen dachten aan een grap maar de reactie van de ontvanger van Veurne bleef nuchter. Uit het dagblad De Standaard van 27 januari 1977:
"Wij hebben gewacht tot de schuldenaars vermogend zijn. Betalen ze nu niet, dan komt er een gerechtszaak van, sturen wij de
deurwaarder en wordt het geld met dwang geïnd."
Alice Ureel-Nowé overleed op 5 augustus 1984 na een leven van hard labeur en veel verdriet.
De ene krukkeman is de andere niet: Op 12 april 1946 werd Dr. August Borms, de tweevoudige collaborateur in beide wereldoorlogen, terechtgesteld. Dr. Borms,
kon zich net zoals Leopold Ureel slechts met moeite en met de hulp van stokken voortbewegen. Vandaar dat Borms door de naoorlogse erfgenamen van de collaboratie
nog steeds wordt gehuldigd als 'de krukkeman die lafaardig werd vermoord'. Over die 'andere krukkeman', Poltje Triep alias Leopold Ureel, spreekt al lang niemand
meer over...