Het dagboek van Irma Laplasse had Irma in feite niet geschreven om gepubliceerd te worden. Zij had dit uitdrukkelijk
zo gewenst en het in haar boek ook zo geformuleerd: Dit boek is bestemd voor Henri Laplasse en kinderen, Polderstraat 61, Oostduinkerke". Tot 1949 lag het dagboek
in de bankkluis van zoon Fred Laplasse. Het was een geruit schoolschrift waarin Irma met potlood op bladzijden in schoonschrift haar wedervaren neerkribbelde.
Tot Louis De Lentdecker er zich mee moeide en Fred kon overtuigen om het te publiceren en wordt in 1949 door de Antwerpse uitgeverij NV Uitgaven Luctor
uitgegeven. Dit dagboek zal spoedig tot een centraal gegeven worden in de bewijsvoering dat Irma Laplasse onschuldig zou zijn geweest. Louis De Lentdecker voorzag
het uitvoerig van commentaar en stapelt in zijn enthousiasme de ene fout na de andere op. Alleen al in de inleiding vergist hij zich drie keer van executiedatum,
Irma Laplasse beschrijft hij als een vijftigjarige vrouw (ze was 41), op de ene pagina beschrijft hoe zoon Fred aangehouden was door het verzet en een pagina
verder dat Fred was kunnen wegvluchten van het verzet.
Ook Prof. Van Isacker maakt er twintig jaar later weer een rommeltje van en het wordt niet beter op wanneer hij in 1994 de kritiek op haar strafdossier formuleert.
Al in zijn 'Ten geleide' (blz.7), voelt hij zich verplicht om een aantal flagrante fouten van zichzelf bij te sturen om zijn dan al erg wankele bewijsvoering
geloofwaardig te houden. Desondanks blijft de jezuïet overtuigt van zijn eigen gelijk en besluit in zijn nawoord van december 1993 (blz. 130):
"Irma Laplasse werd onschuldig geëxecuteerd: zij is het slachtoffer van de lichtzinnigheid en de oppervlakkigheid waarmee de repressiemaatregelen
tewerk gingen.[..] Het Belgisch gerecht draagt in deze zaak de verantwoordelijkheid voor de dood van een onschuldige. Het heeft de plicht dit onrecht te
herstellen."
Irma Laplasse schreef haar gevangenisdagboek voor het overgrote deel retroactief. De periode tussen 8 september 1944 (de dag van de feiten) en 18 maart 1945
heeft ze pas kort voor 18 maart '45 neergeschreven. Op dat ogenblik was haar proces al voorbij evenals het beroep daartegen. Zij hield tot het einde vol dat
ze gehandeld had uit moederliefde en in feite op zoek was naar haar man die verdwenen zou geweest zijn. Ze heeft ook nooit geloofd dat ze feitelijk terechtgesteld
zou worden en van haar kon dan ook niet verwacht worden dat ze ooit tot volledige schriftelijke bekentenissen zou overgaan.
Overigens bekende Irma Laplasse in haar gevangenisdagboek expliciet haar verraad en was ze enkel op zoek naar verschoning, namelijk op blz. 24:
"De 8ste september, dag zoals gewoonte zou men zeggen, maar dan is mijn lijden begonnen. Eerst de aanhouding van mijn zoon door drie witten met de revolver in de vuist, in mijn tegenwoordigheid.
Ik in mijn angst en smart ben met mijn dochter, naar vader zoekend, een Duits schildwacht tegengekomen en heb hem de aanhouding van mijn zoon medegedeeld. Is het
mijn schuld, maar ik geloof eerder aan het toeval, hebben de Duitsers een aanval gedaan of beter patrouille gedaan en zijn in gevecht geraakt met de Witte Brigade,
waarvan ik later vernam dat er zeven doden waren."
Dat Irma Laplasse onvoorwaardelijk haar 'zwarte zaak' en de 'collaboratie' tot het einde toe onvoorwaardelijk trouw bleef, en het succes dat de verspreiding
van haar dagboek in extreem nationalistische wil verklaren, hoeft het dagboek in feite gewoon zèlf te lezen. Bij wijze van voorbeeld enkele fragmenten uit haar
dagboek. Bijvoorbeeld op blz. 27: "Zondag was het aan onze toer om naar huis te gaan, maar, oh God, wat trok ik mijn ogen open, daar kwamen wij in de kapel en
wij moesten in kotjes zitten, elk zijn kotje. Men zat daar lijk levend in een doodskist. Die dat uitgevonden heeft mogen ze van mij levend vlaan¹."
(vlaan¹=villen)
Om de tijd de verdrijven in de gevangenis zingt ze met haar favoris, de 'zwarten' de bekende liedjes (blz.41): "..'k werd in een cel
gestoken bij drie nog jonge vrouwen en, goddank, het waren echte zwarte.[..] Zo was de dag redelijk rap voorbij, maar 's avonds stond ik letterlijk verstomd, was ik
nog wel in het gevang, daar hoorde ik al de bekende Vlaamse liederen, zoals Vlaamse Leeuw, Mijn Vlaanderen en marsliederen van de Zwarte Brigade, de S.S., en zo
meer. Mijn hart ging open en wat ik voor een ongeluk had aangezien van naar Gent te komen daar was mijn geluk geweest, want daar heb ik eindelijk een goede dosis
moed opgedaan."
Ook over Hitler en de Holocaust op de joden had ze zo haar mening (blz.47): "Eens kwam de overste bij ons een preek houden over de
Vlamingen. Ze had nooit kunnen denken, zegde ze, dat er zoveel waren die zich hadden laten meeslepen met de vijand en dan nog zoveel geleerde mannen ook.[..] ... maar
het Hitlerisme deugde niet. Wat had hij niet gedaan met de Joden, het waren immers ook mensen, ganse kamers met kleine kinderen heeft hij versmacht en wat al meer.
Ge ziet ze deden goed hun best aan de politiek, tot zelfs in onze cellen."
Naarmate haar executie dichterbij kwam werden ook haar reacties scherper en opener (blz.35): "Maar de haat zegevierde en alles was toegelaten
wat niet deugde. Het gespuis is meester en God weet voor hoelang nog! [..] Bittere ontgoocheling, het schoonste volk van Vlaanderen zat opgesloten en het gespuis
zegevierde." Wat later neemt ze afscheid van haar 'vrienden' (blz.48): "..dus afscheid aan mijn gebuurs celgenoten en aan
mijn favoris de zwarten."
Op 28 mei 1945, twee dagen voordat Irma Laplasse werd terechtgesteld, en haar werd medegedeeld dat het gratieverzoek door Prins Regent Karel was verworpen,
siste ze helemaal uit haar lood geslagen tegenover haar hoofdbewaakster Annie Johnson, die tevens overste was van de gevangeniszusters, het volgende venijn toe:
"Hebben ze mij morgen, ik heb ze ook gehad, de smeerlappen!" Ah ja, onschuldige moederliefde...[sic]