|
Pagina 4 van 7  "Niet Hitler, Göring, Goebbels, Himmler en hoe ze allemaal ook mogen heten, hebben me gedeporteerd en geslagen. Nee, het was de schoenmaker, de buurman, de melkboer. Die kregen opeens een uniform, een band om hun arm en een pet en toen waren ze het Herrenras." (Karl Stojka, zigeuner uit Wenen, in 1943 naar Auschwitz gedeporteerd.) Kampcommandant van KZ Treblinka Ex-Kampcommandant SS-Obersturmführer Franz Stangl verhaalt in 1971, in een openhartig interview met Gitta Sereny, over zijn aankomst in Treblinka. Dit nadat hij eind augustus 1942 van Sobibor overgeplaatst werd om in Treblinka »orde op zaken te stellen«, want "... er waren klachten dat er geen meer (of nagenoeg geen) waardevolle »gerecupureerde«' zaken naar het hoofdkwartier werden verzonden..": "Ik reed er naar toe met een SS-chauffeur. We konden het al ruiken op kilometers afstand. De weg liep langs de spoorlijn. Toen we op een kwartier of twintig minuten rijden van Treblinka waren, zagen we lijken langs de rails liggen, eerst twee of drie, later meer, en toen we bij het station kwamen lagen er honderden -ze lagen er gewoon- duidelijk al dagenlang in de hitte. Op het station stond een trein vol joden, sommigen dood, anderen levend... ook die trein leek daar al dagen te staan. Toen ik in Treblinka toekwam was die dag het afschuwelijkste wat ik tijdens het hele Derde Rijk gezien heb. Het was de Hel van Dante. Het was Dantes hel die tot leven was gekomen. Toen ik in het kamp aankwam en uit de auto stapte op het plein (de 'Sortierungsplatz'), stapte ik tot aan mijn knieën in het geld. Ik wist niet waar ik moest lopen. Ik waadde door bankbiljetten, geldstukken, edelstenen, juwelen, kleren. Het hele plein lag er vol mee. De stank was onbeschrijfelijk. Honderden, nee duizenden lichamen lagen overal, in ontbinding, rottend. Tegenover het plein, in het bos, een paar honderd meter verderop aan de andere kant van het prikkeldraad, en om het hele kamp heen, stonden tenten en waren er kampvuren. Daar zag ik groepjes Oekraïense bewakers en meisjes -hoeren ontdekte ik later, uit de hele streek -stomdronken, dansend, zingend, muziek makend...." Het vernietigingskamp van Treblinka stond aanvankelijk onder de supervisie van SS-Obersturmführer Imfried Eberl die voor deze totale chaos had gezorgd. Christian Wirth en SS-Obersturmführer Franz Stangl reorganiseren het kamp en Kurt Franz wordt aangesteld als zijn adjunct. Treblinka werd operationeel op 23 juli 1942 toen het Getto van Warschau werd ontruimd en het eerste transport Warschause joden toekwam in Treblinka. Het kamp was nauwelijks meer dan 400 meter bij 600 meter groot en besloeg ruwweg vierentwintig hectare. Klik hier voor enkele grondplannen van Treblinka vernietigingskamp. Het kamp was opgedeeld in twee delen. Kamp 1 was van het tweede gescheiden door hoge prikkeldraadversperringen die gecamoufleerd werden met dennentakken. Het bestond uit het treinperron en het plein waar de treinen toekwamen, de Sortierungsplatz, waar de eerste selectie plaatsvond. Ook het zogenaamde ziekenhuis -het Lazarett- was hier en werden de bejaarden en de zieken er meteen na aankomst doodgeschoten in plaats van vergast te worden. Hier stonden ook de barakken waar de slachtoffers zich moesten uitkleden, de vrouwen werden kaalgeschoren en inwendig werden onderzocht op waardevolle voorwerpen. Vandaar werden zij Der Schlauch (of de Himmelfahrtstrasse zoals de SS'rs die spottend noemden) ingejaagd richting gaskamers. Eén van de eerste hervormingen die Stangl doorvoert is het plaatsen van emmers in Der Schlauch. Net zoals in Sobibor was in Treblinka ook een nauwe gang waar de slachtoffers naar de gaskamers werden gejaagd. Stangl had in Sobibor ondervonden dat de vrouwen overal hun behoefte deden als ze renden of stonden te wachten en de emmers hadden geholpen(..) Joe Siedlecki, één van de overlevende 'werkjoden' van Treblinka in een interview met de schrijfster Gitta Sereny: "Ik werd eerst in het Rode Commando tewerkgesteld -we moesten toezicht houden bij het ontkleden in de barakken. We moesten roepen "Ganz nackt, Schuhe zusammenbinden. Geld und Dokumente mitnehmen." Zo hielden ze de mensen voor de gek. Zij dachten dat ze in bad zouden gaan en ontluisd zouden worden, en dat zij hun geld en documenten bij zich mochten houden voor hun eigen bestwil. Dat stelde hen gerust. De Duitse joden -ziet U, ze waren nog meer Duitser dan de Duitsers zelf- konden soms ontzettend autoritair doen, helemaal de 'Herren'. "Hou mijn schoenen in de gaten tot ik terugkom," zeiden ze uit de hoogte tegen ons, de leden van het Rode Commando. Natuurlijk waren ze tien minuten later dood." In Kamp 2 stonden de gaskamers en de installaties om van de lijken af te komen en de barakken van de Totenjuden, de joodse Sonderkommandos die de lijken moesten liquideren. Er waren aparte barakken voor de mannen en de vrouwen. De mannen droegen en verbrandden de lijken, de twaalf vrouwen kookten en deden de was. Rechts in het kamp lag de Appelplatz, het plein waar twee keer per dag appèl werd gehouden. Dat plein werd ook voor andere doelen gebruikt. Zo werden er concerten gehouden. Adjunct-commandant Kurt Franz liet er graag sportmanifestaties houden zoals hardlopen, of bokswedstrijden die pas waren afgelopen als een van beide partijen dood neerzeeg. Daar werden ook de straffen uitgevoerd tijdens de appèls en stond het geselblok stond dat vrijwel dagelijks werden gebruikt. Er werden eveneens de executies uitgevoerd -meestal door ophanging- en bleven de lijken dagenlang op het plein hangen. Ook Treblinka werd bemand door een combinatie van een 30-tigtal SS'rs, ongeveer 100 Oekraïense bewakers, kapo's en werkjoden die de werkplaatsen beheerden en in de gaskamers opereerden. Gemiddeld waren er tussen de 700 en de duizend werkjoden aan de slag. Sommigen als goudsmid, als bakker, schoenlapper of kleermaker en anderen weer om deel uit te maken van de Sonderkommando's. Hun taak was het om de slachtoffers uit de gaskamers te halen en te verbranden in één van de drie grote diepe putten waarna ze de lijken bestrooiden met gebluste kalk. Later, met het naderen van het Rode Leger, werden de reeds in staat van ontbinding verkerende lichamen heropgegraven en op open grillen (gemaakt van treinsporen) verbrand, dit natuurlijk om zoveel mogelijk sporen van de genocide uit te wissen. Franz Stangl: "Ik weet nog dat Wirth daar stond bij de kuilen vol blauwzwarte lijken. Het had niets menselijks meer. Het was een massa, een massa rottend vlees. Wirth zei: "Wat zullen we met dit afval doen?"(..) Ziet U, ik zag hen zelden als individuen. Het was altijd een enorme massa. Soms stond ik op de muur en zag ze in de tunnel. Maar, hoe kan ik het duidelijk maken -ze waren naakt, samengedreven, rennend, opgejaagd met zwepen als..." Overlevende Samuel Rayzman hierover: "Franz Stangl stond dikwijls op de aarden wal tussen de [twee] kampen. Hij stond daar als een Napoleon die naar zijn troepen keek." In het kamp werden in het voorjaar van 1943 bloemen en struiken geplant en zelfs een dierentuin. Franz Stangl: "We hadden daar talloze prachtige vogels en overal banken en bloemen. Een expert uit Wenen ontwierp de dierentuin voor ons. Natuurlijk hadden we overal deskundigen voor.(..) Het is nu moeilijk te beschrijven, maar het was werkelijk heel mooi...." Wanneer Stangl in 1970 tijdens zijn proces in Düsseldorf ondervraagd werd hoeveel mensen er konden vermoord worden op één dag, antwoordde hij: "Omtrent de vraag hoeveel mensen er maximaal konden vergast worden op één dag, kan ik bevestigen dat: naar mijn schatting een transport van 30 veewagens met 3.000 mensen, in drie uren werden geliquideerd. Als er gemiddeld veertien uur per dag gewerkt werd konden aldus 12.000 tot 15.000 mensen op één dag vernietigd worden. Er waren vele dagen dat er gewerkt werd van de vroege ochtend tot in de late avond. Ik heb niets gedaan wat niet tot mijn opdracht behoorde. Mijn geweten is rein." Omstreeks Kerstmis 1942 wordt Franz Stangl in Treblinka ingelijfd bij de SS en draagt vanaf dan het feldgraue uniform van de SS. In deze periode laat Stangl het zogenaamde treinstation bouwen. kompleet met loketten, borden met vertrektijden en een klok met geschilderde wijzerplaat en wijzers die nooit bewogen. Om aansluitende treinverbindingen te suggereren werden op de gevels sorteringsbarakken geschilderd met opschriften als 'Naar Warschau', 'Naar Wolwonoce' en 'Naar Bialystok'. Dit allemaal om de aankomende veewagens met gedeporteerden gerust te stellen door hen te laten geloven dat Treblinka maar een doorgangskamp was. Franz Stangl die met zijn gezin tot 1967 onbezorgd in Brazilië woonde...: Toen ik in Brazilië op reis was, stopte de trein vlak naast het slachthuis. Toen het vee in de hokken de trein hoorde aankomen, kwam het aangelopen, zich verdringend achter het hek. Ze stonden vlak bij mijn raampje, dicht op elkaar, en ze staarden me door dat hek aan. Toen dacht ik: "Hé, kijk, dat doet me aan Polen denken, de mensen keken op precies dezelfde manier, vol vertrouwen, net voor ze werden ingeblikt..." 2 augustus 1943: Opstand in Treblinka In de zomer van 1943 vermoedden de meeste overblijvende joden in Treblinka dat geen van hen het zou overleven als ze zouden blijven. De geruchten dat het kamp zou ontruimd worden en iedereen die nog overbleef moest vergast worden werden elke dag hardnekkiger. Twee joden die de opstand overleefden, Richard Glazar en zijn vriend Karel Unger, die samen met nog een 25 tal andere joden een ontsnappingscomité hadden gevormd, besloten om hun kans te wagen. In tegenstelling tot de Opstand in Sobibor, was hier nauwelijks iets georganiseerd en de opstand begon en eindigde in de grootste chaos. Richard Glazar die zijn leven en verschrikkelijke tijd in Treblinka neerpende in het boek 'Trap with a Green Fence' vertelt: "Wat ik mij nog het beste van de opstand herinner is de totale verwarring. De eerste momenten waren uiteraard waanzinnig opwindend; overal ontploften handgranaten en flessen benzine, braken er direct branden uit en overal werd geschoten. Het liep allemaal zo anders dan gepland dat we compleet in verwarring raakten..." Op het ogenblik van de opstand waren er nog zowat 840 joden in het kamp. Na de opstand bleken er nog 105 overlevenden in het kamp over te blijven. Het overgrote deel was uitgemoord of de dagen erna tijdens klopjachten door de SIPO opgepakt en ter plekke doodgeschoten. De meeste vluchtelingen trachten met wisselend succes te overleven in de omringende bossen, ruim een jaar lang totdat de Russen het kamp ontdekten in de zomer van 1944. Uiteindelijk overleefden 54 gevluchte joden de opstand en tegelijkertijd waren zij ook de enige overlevenden van Treblinka!
|