Eind jaren dertig valt de strijd tussen fascisten en anti-fascisten stil. Dominique Fervaille: "Gedurende de jaren 1938 en 1939, vreest men meer en meer een oorlog met nazi Duitsland.
De USAF-beweging dooft stilletjes aan uit wegens de mobilisaties en de moeilijkheid om actie te voeren in het kader van een politiek van neutraliteit. De leden weten
dat ze gekend zijn door de fascisten en de vrees steekt (terecht) de kop op. Archiefstukken worden verbrand, wapens worden
verborgen. Deze zullen in de periode 40-45 terug bovengehaald worden. Een groot deel van deze antifascistische militanten hebben
hun moed behouden en engageren zich in de Weerstand bij de Gewapende Partizanen."
De stichter van de USAF, Aimé Verneirt, zal later op 19 juli 1943 door de nazi's worden aangehouden en terechtgesteld in München op
27 oktober 1944. Zijn naam staat samen met vele andere namen op de herdenkingsplaat van de gevallen weerstanders uit de Brusselse Marollen,
die aan de voorgevel prijkt van de Berg van Barmhartigheid in de Sint-Gisleinsstraat te Brussel.
In mei 1938 wordt Louis opgeroepen om zijn militaire dienstplicht te vervullen. Bij het leger wordt hij gekazerneerd te Luik
op de Chartreuse, een oude vesting die nog dateerde uit de tijd van Napoleon. Louis doet dienst als chauffeur van een
geblindeerde tractor bij de 14de Compagnie, het anti-tankgeschut van het 12de Linieregiment, dat onder het commando stond
van de bekende kolonel Yvan Gérard. Tengevolge van de kortzichtige neutraliteitspolitiek van België en het
vreemde machtsspelletje dat Frankrijk en Engeland speelden tijdens de zogeheten Drôle de Guerre (de geallieerde gemobiliseerde legers wachten op het offensief dat moest komen en maar niet kwam), bevond het
Belgische Leger zich tijdens de Duitse opmars van de 10de mei 1940 aan de [verkeerde] grens met Frankrijk[!].
Louis is op dat moment tengevolge van een zware ziekte met een maand herstelverlof naar zijn ouderlijk huis in Leuven gezonden.
Hij maakt er op 10 mei het zware Duitse luchtbombardement mee waarbij ondermeer de Tiense Poort van Leuven door tientallen
gierende Duitse Stuka's totaal werd verwoest, balans: 101 doden, 246 gekwetsten, 75 huizen totaal vernield en 233 andere huizen
werden zwaar beschadigd. Hij meld zich aan bij het Militair Hospitaal te Leuven maar daar is het een en al chaos. Louis tracht
tevergeefs zijn 12de Linieregiment te vervoegen, dat laatst gesignaleerd werd te Betekom. Later bleek dat regiment
reeds tijdens de eerste dagen van de oorlog door de Duitsers vernietigd te zijn. Louis kan krijgsgevangenschap ontvluchten
en is al op 31 mei 1940 terug in Leuven.
De aanblik van zijn verwoeste stad, de gestage opmars van Duitse soldaten en binnendreunende pantsers en gevechtstanks, doen
Louis Van Brussel een besluit nemen met verregaande implicaties: "De slag is verloren. En hier, hier achter de linies passeren diezelfde tanks u op vreedzame wijze op enkele
tientallen centimeter, met open geschutstoren. Een handgranaat, één enkele handgranaat in de hand van een moedige man,
vrouw of zelfs kind is in staat dit onheilbrengende monster binnen een paar ogenblikken te vernietigen. Aan klassieke militaire
doctrine hadden wij in België niets meer. Geen eerste en tweede echelons, geen divisies en generale staven doch doelbewuste
en moedige kerels die met één handgranaat een tank buiten gevecht konden stellen, of die, verdoken langs de baan; met een
machinegeweer in enkele seconden een halve compagnie wegmaaien.
Al die gedachten rijpten in mij toen de eerste dag na mijn thuiskomst lange slierten Mark-V tanks traagjes onder de half vernielde spoorwegbrug van Kessel-Lo naast mij
opreden, waarschijnlijk in de richting van Duinkerke. Vanaf dat ogenblik, vanaf die eerste dag reeds was ik het eens met mijzelf. Ondanks het
Duitse gesnoef over het 'Duizendjarige Rijk', ondanks de golf van defaitisme die het land overspoelde, was de taak voor ieder bewust
anti-fascist klaar en duidelijk, namelijk: 'te redden wat er te redden viel', maar dan van achtergebleven wapens en materiaal en...
van ontwrichte en los rondlopende kameraden om de strijd verder te zetten en als jonge arbeidersmilitant, als Leuvenaar, Vlaming en Belg te vechten
tot de uiteindelijke overwinning op het fascisme of... tot het bittere einde." [Uit Partizanen in Vlaanderen blz. 17]
Einde juni 1940 richtte Louis met Eduard Seymens en François Nijsen, samen met een dertigtal Rode Valkers,
communistische jongeren en socialistische turners, in Kessel-Lo het R.A.F.F. op, dat stond voor het
Revolutionaire Antifascistisch Front. Na het verraad
van de socialistische voorman Hendrik De Man zit de socialistische partij even in het slop. In de illegaliteit wordt een
nieuwe partij opgericht die later de BSP (Belgische Socialistische Partij) zal heten. Hun clandestiene blad 'Morgenrood' wordt
boven de doopvont gehouden en even later ook 'De Werker', die tijdens de ganse oorlog verspreid worden door het verzet en gretig
aftrek vinden bij de bevolking.
Intussen schuimen Louis Van Brussel en zijn R.A.F.F.-mannen om en rondom het Leuvense het land af op zoek naar achtergebleven
oorlogsmaterieel. Einde juni 1940 hebben zij al heel wat materiaal verzameld: ongeveer 285 kilogram T.N.T. (Tri-Nitro-Tolueen); 8 machinegeweren, waaronder 6 Engelse,
één Frans en één Belgisch, 27 geweren van verschillende types, één Belgische maximitrailleur, één Belgische granaatwerper, een 15-tal revolvers,
175 millsgranaten en reusachtige hoeveelheden geweerkogels, poeder, obussen, allerhande munitie, Duitse, Engelse en Belgische uitrustingsstukken zoals helmen,
laarzen enz. Al dit oorlogstuig wordt veilig opgeborgen in een verlaten kaaskelder van een bouwvallige woning in de
Tervuursestraat te Leuven waar de grootmoeder van Eduard Seymens woonde. Die kaaskelder zal voor de ganse duur van de oorlog
nooit verraden worden noch ontdekt worden door de nazi's, op zich al een merkwaardig feit!