Een van de zovele Rooms-katholieken die enkel waarde hechtten aan hun eigen oordeel en voor zichzelf uitmaakten in hoeverre ze betrokken raakten bij de waanzin
van deze oorlog en haar meest geviseerde groep -de Joodse gemeenschap van België- was de katholieke priester Père Bruno of Dom Bruno zoals
E.P. Henri Reynders meestal genoemd werd. Hij is één van de vele moedige personen die tijdens de bezetting door de nazi's hun leven op het spel
zetten door Joden of hun kinderen een veilige schuilplaats te bezorgen en hen aldus te behoeden voor deportatie naar de concentratiekampen.
Henri Reynders werd geboren op 24 oktober 1903 te Elsene (Brussel). Op 17-jarige leeftijd treed binnen in de Abdij Keizersberg van de
Benedictijnen te Leuven. Hij beëindigt zijn noviciaat in 1922 waarna hij de naam Dom Bruno meekrijgt. In 1928 wordt hij in Leuven tot priester gewijd
en behaalt drie jaar later aan de Universiteit van Leuven zijn Doctoraat in de Theologie.
In 1938 is hij op bezoek in Duitsland en is geschokt door wat hij daar hoort en ziet. "Ik slenterde door een drukke straat," vertelde hij veel later.
"Overal zag ik beledigende tekens: 'Jude = Judas', 'Juden heraus' of 'Hier sind Juden nicht erwünschen'. Ik werd hier zeer door geschokt, maar wat met het meeste ergerde
was het volgende incident: ik zag een oude man aankomen, bebaard, gekleed in een kaftan, een oude zwarte hoed op zijn hoofd, kort gezegd: een stereotiepe Jood.
De oude man liep diep gebogen, zijn ogen neergeslagen, en verborg zijn gezicht met zijn hand. Voorbijgangers liepen hem uit de weg alsof hij met de pest besmet was, of
keken hem boos aan, of wezen hem met de vinger en scholden hem uit. Dit maakte mij behoorlijk kwaad, deze apartheid, dit gedrag, deze arrogantie, deze wrede domheid,
nee... het was onverdraaglijk! Het blijft in mijn geheugen hangen en vervult me met walging."
In 1939 wordt hij na de inval in Polen gemobiliseerd en als aalmoezenier ingedeeld bij het 41ste Artillerie Regiment van het Belgisch Leger. Tijdens de
Achttiendaagse Veldtocht in mei 1940 wordt hij tijdens de gevechten gewond, gevangen genomen en naar Duitsland afgevoerd. Na zijn terugkeer in januari 1942 uit het
krijgsgevangenenkamp Oflag VIB-kamp in Doessel nabij Wolfsburg, begint zijn grote avontuur. Opgehitst door de gevangenschap in Duitsland en de Duitse bezetting van België,
legt Dom Bruno contacten met leden van het Belgisch Verzet en verleent zijn medewerking om neergehaalde Engelse piloten te laten onderduiken en repatriëren.
Vanaf 1942 beginnen de nazi's de Joden op te pakken, de ene razzia volgt na de andere. De Joden worden samengebracht in de Dossin Kazerne in afwachting van
hun deportatie naar KZ Auschwitz. Dom Bruno wordt door de abt van zijn orde als aalmoezenier overgeplaatst naar een klein tehuis voor blinden en slechtzienden in het Ardense Hodbomont (Theux).
Hij komt er snel achter dat de directeur van het tehuis, Mr. Walter Bieser net zo goed ziet als hijzelf, zo ook een ouder koppel uit Wenen, de Ashkenazys, alsook een
zekere Mr. Silbermann. In werkelijkheid is het tehuis een dekmantel voor het werkelijke doel van het tehuis: Joden verbergen en beschermen tegen het gevaar van
arrestatie en deportatie.
De kinderen in het tehuis waren recent overgebracht van L' Hospitalité, een weldadigheidsinstituut dat gerund werd door
de katholieke kerk, die er vakantiekampen organiseerde voor minder bedeelde kinderen, die gesponsord werden door het Diocesaan van Luik en geleid werd
door advocaat Albert Van den Berg. Albert Van den Berg, geboren te Luik in 1890, was dokter in de rechten, notaris en als advocaat verbonden aan het Hof
van Beroep te Luik. Hij was een oorlogsinvalide van de Eerste Wereldoorlog. Zijn samenwerking tijdens de bezetting met Bisschop Kerkhofs van Luik en met de
Benedictijnse pater Dom Bruno om vele Joodse kinderen te helpen onderduiken, zal hij later met zijn leven bekopen. Op het einde van april 1943 werd Albert opgepakt
door de Gestapo en opgesloten in KZ Neuengamme waar hij in 1945 sterft.
Het klikt meteen tussen Dom Bruno en Albert Van den Berg en ze slaan de handen in elkaar. Dom Bruno ontdekt al snel dat het tehuis een dekmantel is om gevluchte Joden te verbergen voor de nazi's. Een twintigtal blinden, alsmede de directeur,
blijken Joodse vluchtelingen te zijn die daar werden verborgen voor de nazi's. Vanaf januari 1943 gaat Dom Bruno actief deelnemen aan de redding van de Joodse
kinderen. Na een razzia door de Gestapo in het tehuis werden alle volwassen Joden opgepakt maar de nazi's laten wel de Joodse kinderen met rust. Het tehuis voor
blinden in Hodbomont blijkt niet meer veilig te zijn. Dom Bruno en Albert Van den Berg besluiten de Joodse kinderen meteen onder op andere adressen onder te brengen.
Enkele jaren na de oorlog sprak Dom Bruno met Gilles Rozberg die hij had helpen ontsnappen over de doodsangsten die hij in die tijd moest doorstaan:
"Ik heb gevoeld en begrepen dat er iets gedaan moest worden, dat men deze joden die ik niet kende moest helpen. Ik ben aan de taak
begonnen en ik heb liefde voor hen gevoeld. Ik heb de doodsangst en de vrees gekend, en ook lang na de oorlog gebeurde het dat ik wakker werd in angsten en badend
in het zweet."
Afbeelding rechts: Dom Bruno met enkele van 'zijn' Joodse beschermelingen in volle oorlogstijd
Dom Bruno trekt
er op uit, meestal per fiets, om onderduikadressen te vinden voor zijn kinderen, in het begin vooral bij vrienden en kennissen maar later ook via tipsgevers. Met zijn fiets
moet hij wel verschillende keren de Ronde van België hebben afgekoerst om onderduikadressen te vinden! Hij vind nieuwe gezinnen om de Joodse kinderen te laten
onderduiken zoals bijvoorbeeld de Bodarts, de Bertrands en de familie Martens in Leuven, andere families vind hij weer bereid in Jodoigne, Ciney, Brussel, Namen
en Bouge.
Via de bisschop van Luik (Louis-Joseph Kerkhofs 1878 - 1962) krijgen Van den Berg en Dom Bruno financiële steun om de hoogste nood te bekostigen. Ze bouwen een heel netwerk van contacten op. Dom Bruno plaatst kinderen bij
zijn moeder en bij zijn broer Jean Reynders. Onvermoeibaar rondfietsend trekt hij er op uit om zijn kinderen onder te brengen. Overal klopt hij aan. Bij religieuzen
in Bellegem, aan het tehuis in Leffe, het pensionaat Sainte-Marie in La Bouverie, bij de Benedictijnen van Luik (waar een zekere Zuster Theresa niemand minder dan
zijn zuster is), hij klopt aan bij drie Kapucinnessen tehuizen in Banneux, bij de Zusters van Don Bosco in Kortrijk, en bij tal van christelijke families over het
hele land. In Banneux leefde onder andere de Groot-Rabbijn van Luik, Joseph Lepkifker, samen met zijn bejaarde ouders ondergedoken. Wat later werden zijn ouders toch nog bij
een razzia opgepakt en gedeporteerd naar Auschwitz waar ze niet van weerkeerden. Groot-Rabbijn Lepkifker overleefde wel de oorlog.
Dom Bruno hield alles nauwgezet bij in notaboekjes. Zo bijvoorbeeld wat de vijftienjarige Izaac Segal betrof: "Geplaatst in de Vlamingenstraat 120 te Leuven;
daarna bij Bertrand in Pro Juventute, Ottignies; daarna bij abbé André, Namen; daarna in het Home S. Maurice te Haversin; daarna bij Mr Cathale
te Borenville, Wépion; tenslotte bij M. Bodart, Bambois, Fosses." In zijn boekjes stonden wel 307 namen genoteerd die Dom Bruno heeft kunnen beschermen, maar
onrechtstreeks heeft hij nog vele anderen kunnen helpen.
Dom Bruno moet zelf ook telkens weer verhuizen want de Gestapo is hem op het spoor gekomen. Zo doet de Gestapo in april 1943 een inval in zijn kantoor in de
Keizersbergabdij, op het ogenblik dat hij met zijn 159ste reddingsactie bezig is. Hij slaagt er maar net in om alle bezwarende documenten te laten verdwijnen. Hij moet
regelmatig verhuizen en pendelt noodgedwongen tussen Leuven en Brussel om zijn reddingswerk verder te kunnen zetten. Zo duikt hij een tijd onder in Brussel, net naast
het kantoor voor Joodse Zaken van een SS-kapitein.
Soms kunnen zijn beschermelingen slechts op het nippertje ontsnappen zoals toen in augustus 1944 tijdens een razzia die onder het bevel stond van
SS-Obersturmführer Burger. De SS-officier Burger, bijgenaamd de 'Bluthund von Wien', had onder andere ook de liquidatie van de joodse gemeenschap van
Saloniki (Griekenland) op zijn account. Burger was speciaal naar België gekomen om alle joden en kinderen die nog in tehuizen waren, te verzamelen en te
deporteren naar de kampen. Tijdens die laatste actie had hij drie jongens aangetroffen die op het nippertje aan deportatie waren ontsnapt en zich verscholen
hielden in het Zonieënwoud. Hij nam de drie jongens mee, schrobde ze totdat ze weer toonbaar waren en bracht hen naar de Dochters van Barmhartigheid in Asse, 12 kilometer van Brussel.
Na deze actie keerde hij te voet weer naar Brussel om nog net op tijd te zien hoe de Duitsers de aftocht bliezen uit Brussel om nooit meer weer te keren.