|
Pagina 3 van 4 Het Zoenoffer De vervolging op de joden bleef escaleren. Op 5 oktober 1941 moet Edith Stein zich net als alle andere Joden of mensen van joodse origine laten registreren bij de Duitse politie in Maastricht. Bij het binnenkomen in het registratiebureau doet ze iedereen verbouwereerd opkijken door haar laconieke begroeting: 'Geloofd zij Jezus Christus'. Edith Stein onderzoekt opnieuw de mogelijkheid om te ontkomen aan de repressie. De karmelietessen van het klooster in Le Pâquier, kanton Fribourg in Zwitserland, waar ze door haar voordrachten vele vrienden heeft gemaakt, zijn bereid om haar op te nemen. Het neutrale Zwitserland blijkt echter maar weinig gesteld op de komst van vervolgde joden en de onderhandelingen voor emigratie met de Zwitserse officiële instanties schieten maar moeizaam op. Op 12 februari 1942 had het 'Interkerkelijk Overleg' in audientie bij rijkscommissaris Seys-Inquart geprotesteerd tegen de deportatie van de Joden 'met een schrikbarend aantal sterfgevallen tot gevolg.' In april 1942 moeten de zussen Edith en Rosa Stein zich opnieuw aanmelden bij de Gestapo van Maastricht. Hun persoonsbewijzen blijken niet in orde te zijn want er staat geen rode 'J' (Jude) op hun papieren en ook de voornaam Sara, die bij alle jodinnen de eigenlijke voornaam moest voorafgaan ontbreekt. Ze moeten onmiddellijk de gele jodenster op hun kleren bevestigen, die sinds 29 april 1942 in Duitsland werd verplicht en de Steins de Duitse nationaliteit hadden. Vanaf juni 1942 zal de jodenster ook verplicht worden in Nederland. Nederlandse christenen droegen uit protest tegen het verplicht dragen van de gele Davidster gele bloemen op hun kleren. In Rotterdam worden de bewoners door Nederlandse bewoners opgeroepen om respect te tonen voor Joden die deze Davidsterren dragen. In mei '42 worden de zussen Stein opnieuw ontboden naar Amsterdam waar ze verschillende dagen na elkaar moeten verschijnen voor de Gestapo en de Joodse Raad.
In juli 1942 dreigen de nazi's om bekeerde Joden, alsook de Joden die gehuwd waren met niet-Joden, op te pakken als de protesten niet ophouden. De protestanten gaven toe maar op 10 juli 1942 lanceerde het 'Interkerkelijk Overleg' in een telegram aan de Duitse bezetters andermaal een protestoproep: 'De hieronder vermelde Nederlandse Kerken, reeds diep geschokt door de maatregelen tegen de joden in Nederland, waardoor zij uitgesloten worden van het deelnemen aan het normale volksleven, hebben met ontzetting kennis genomen van de nieuwe maatregelen waardoor mannen, vrouwen, kinderen en gehele gezinnen worden weggevoerd naar het Duitse rijksgebied en onderhorigheden. Het leed dat hiermede over tienduizenden gebracht wordt, de wetenschap dat deze maatregelen tegen het diepste zedelijk besef van het Nederlandse volk strijden, boven het indruisen van deze maatregelen tegen hetgeen ons van Godswege als eis van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld wordt, nopen de Kerken tot u een dringende bede te richten aan deze maatregelen geen uitvoering te geven. Voor de christenen onder de joden wordt ons deze dringende bede nog ingegeven door de overweging dat hun door deze maatregelen het deelnemen aan het kerkelijk leven wordt afgesneden.' De Duitsers ontbieden de vertegenwoordiger van de Nederlands-hervormde Kerk bij zich waar hem wordt medegedeeld dat de voor 1 januari 1941 gedoopte joden van deportatie zullen worden vrijgesteld. Men hoopte aldus de vrees voor protesten voor de deportaties van de Joden van Nederland te kunnen afzwakken die op 15 juli 1942 zou aanvatten en drongen aan om af te zien van voorlezing van het telegram. Echter op 26 juli 1942 besluit de Nederlands-hervormde Kerk om dit herderlijk schrijven van de Nederlandse Bisschoppen van op alle kansels in Nederland te laten voorlezen. Ditmaal zijn de Duitsers razend en laten vanaf 2 augustus 1942 alle katholieken van Joodse origine arresteren en deporteren. Om hun boodschap extra kracht bij te zetten worden ook nog eens 9.000 protestantse joden opgepakt en gedeporteerd. Vele holocaust-historici markeren deze gebeurtenis als het kantelmoment waarin de Kerkelijke Overheden beslisten om zich voor de rest van de oorlog openlijk gedeisd te houden t.a.v. Jodenvervolging en, net zoals Pius XII -Hitlers Paus- die op 12 maart 1939 Pius XI was opgevolgd, er maar verder het zwijgen toe doen. Dit overwegend geïnspireerd door de vrees dat de Duitse repressie zich ook tegen de niet-joodse leden van de Christen Kerken zou kunnen keren (lees ook Hitlers Paus en Dom Bruno over de houding van de Kerk tijdens Wereldoorlog Twee.)
Ook Edith Stein en haar zuster Rosa worden spoedig slachtoffers. De onderhandelingen met de immigratiediensten van Zwitserland stokken en zullen uiteindelijk niets opleveren en in het geval van de Steins veel te laat komen. Op 29 juli 1942 schreef Edith Stein hierover aan een collega: 'Zwitserland wil voor mijn zuster (Rosa) en voor mij zijn poorten openstellen, want het enige slotklooster van onze Orde in dat land (Le Paquier, kanton Fribourg) is bereid mij op te nemen, en een karmelietessenklooster van de Derde-Orde, ongeveer een uur daar vandaan, mijn zuster. Beide kloosters hebben zich tegenover de vreemdelingenpolitie verplicht levenslang voor ons te zorgen. Maar het is nog zeer de vraag of we hier een uitreisvergunning zullen krijgen. Dat zou in elk geval zeer lang kunnen duren. Ik zou er niet om treuren indien het ons niet werd toegestaan. Het is immers geen kleinigheid voor de tweede maal een geliefde kloosterfamilie te verlaten. Maar ik aanvaard het zoals God het beschikt.' Op 2 augustus 1942 worden, als vergelding van de nazi's voor het voorlezen van de herderlijke protestbrief, alle tot het christendom bekeerde joden opgepakt. Ook Edith en Rosa ontspringen de dans niet. Ze worden diezelfde dag uit het klooster van het Nederlandse Echt gehaald. Buiten op straat staan het vol luid protesterende mensen want de Karmel en speciaal Rosa Stein die portierster was van het klooster, waren erg gekend en geliefde bij de bevolking van Echt. Edith Stein nam haar sprakeloze zus bij de hand en zei: 'Kom, we gaan voor ons volk!'. Samen met Rosa worden ze opgeladen in de overvalwagen waarin zich reeds drie andere katholieke joden uit Echt bevonden. Vandaar gaat het via Roermond naar het doorgangskamp van Amersfoort waar ze werden opgesloten.
In de nacht van 3 op 4 augustus worden de zussen Stein afgevoerd naar KZ Westerbork, gelegen op zowat 5 kilometer van Hooghalen in de Nederlandse provincie Drente. In het kamp maakt ze op iedereen een rustige en beheerste indruk en helpt iedereen met raad en daad. De Steins werden met tien zusters samen ondergebracht in één enkele barak. Ze mochten hun kloosterhabijt blijven dragen en alle gevangenen waren uiteraard blij dat er ook katholieke zusters en paters in het kamp aanwezig waren. De vooravond van haar deportatie naar KZ Auschwitz schrijft Edith haar laatste briefje naar de Karmelietessen van Echt: 'Morgenaochtend gaat een transport (Silezië of Tsjecho-Slowakije??). Het noodzakelijkste is: wollen kousen, twee dekens. Voor Rosa warm ondergoed en wat gewassen werd, voor beiden handdoeken en washandjes. Rosa heeft ook geen tandenborstel, geen kruis en rozenkrans. Ik had ook graag het volgende deel van het brevier (kon tot nu toe heerlijk bidden). Onze identiteitskaarten, distributie- en broodkaarten. Duizendmaal bedankt. Groeten aan allen, uw dankbaar kind B. Ps: 1 habijt en schorten, 1 kleine sluier.' Op 7 augustus 1942 worden Edith en Rosa Stein gedeporteerd naar KZ Auschwitz-Birkenau. Na een treinreis van twee verschrikkelijke dagen bereiken ze KZ Auschwitz. Op de lijst 34 van het ministerie van Justitie van 16 februari 1950 werden de zussen geregistreerd als nummer 44074, Edith Theresia Hedwig Stein, en nummer 44075, Rosa Maria Agnes Adelheid Stein. Als vrouw en vijftigjarige maakt Edith, net als haar nog oudere zuster Rosa, geen enkele schijn van kans om in aanmerking te komen voor dwangarbeid en misschien aldus een kleine overlevingskans te hebben. Edith en Rosa Stein werden wellicht onmiddellijk bij hun aankomst in het KZ Auschwitz-Birkenau uitgeselecteerd en op 9 augustus 1942 vergast en gecremeerd. Zuster Benedicta had het onvermijdelijke lot dat haar door de nazi's was toebedacht reeds lang voordien voorvoelt en in haar testament van 9 juni 1939 toegelicht. De op Yom Kippoer (dag van de verzoening) geboren Edith Stein zag zichzelf als 'zoenoffer' voor wat, volgens haar persoonlijke overtuiging toch, de joden Christus hadden aangedaan: ‘Reeds nu neem ik de dood, die God mij heeft toebedacht, in volledige onderwerping aan zijn heilige wil met vreugde aan. Ik smeek de Heer, dat Hij mijn leven en sterven moge aanvaarden tot zijn eer en heerlijkheid voor alle intenties van de heilige harten van Jezus en Maria en van de heilige kerk, in het bijzonder voor de instandhouding, de heiliging en de voltooiing van onze heilige orde, met name van de karmels in Keulen en Echt, tot verzoening voor het ongeloof van het joodse volk, opdat de Heer door de zijnen moge opgenomen worden en opdat zijn rijk moge komen in heerlijkheid, voor de redding van Duitsland en de wereldvrede, tenslotte voor al mijn familieleden, levende en dode, en allen, die God mij heeft gegeven; dat niemand van hen verloren moge gaan’. Epiloog Op 1 mei 1987 werd zuster Teresa Benedicta a Cruce (Dr. Edith Stein) door Paus Johannes Paulus II tijdens zijn bezoek aan Keulen (D), zalig verklaard en op 11 oktober 1998 werd zij door dezelfde paus heilig verklaard. Op 1 oktober 1999 werd zij samen met de H. Catharina van Siena en de H. Brigitta van Zweden uitgeroepen tot co-patrones van Europa. De heiligen Benedictus, Cyrillus en Methodius waren dit reeds. Een andere bekende Nederlandse karmeliet, is Titus Brandsma, gestorven in het KZ Dachau, werd op 3 november 1985 zaligverklaard door de Paus. In februari 1943 werden de joden van Nederland massaal gedeporteerd naar KZ Auschwitz-Birkenau. Van de ongeveer 140.000 joden die toen in Nederland woonden werden er 107.000 gedeporteerd, slechts 33.000 Nederlandse joden hebben uiteindelijk de holocaust overleefd. Negenenveertig Nederlandse katholieke priesters werden vermoord omdat ze Joden hadden geholpen.
|