De Chinese gemeenschap in Duitsland was in het begin van de jaren dertig overwegend uit studenten en kooplieden samengesteld. Over hun aantal bestaan er geen vaststaande gegevens. Reeds begin jaren twintig, was een groot aantal Chinezen voor opleiding en uit politieke interesse en in opdracht van de partij naar Duitsland gekomen, waarbij de interesse in een studie van technische of natuurwetenschappelijke aard doorslaggevend was. Volgens het statistische jaarboek van de Duitse universiteiten lag het aantal ingeschreven studenten uit China begin jaren dertig rond ca. 200, terwijl het er in realiteit ca. 500 kunnen geweest zijn.
De tweede groep Chinese staatsburgers, die reeds gedeeltelijk sinds de jaren twintig in Duitsland leefde, bestond uit zeelieden, kleinhandelaars, en kooplieden. Ze bewoonden in Berlijn, evenals in Hamburg het armenkwartier, waar het wegens sociale spanningen vaak tot woordenwisselingen kwam tussen de bewoners. Reeds in de jaren twintig had een incident in het Chinezenkwartier de aandacht van de Berlijnse publieke opinie gevestigd op de ca. 200 handelaars die aan het Silesische station woonden.
Ook in Hamburg werd meestal enkel in verband met criminele vergrijpen over het leven van de Chinese gemeenschap bericht. Deze Chinezen die zich op waarlijk karige wijze in hun levensonderhoud voorzagen door werk in wasserijen, groentenwinkels en gaarkeukens, kwamen in de jaren van werkloosheid en depressie meermaals met de Duitse autoriteiten in aanvaring. Dit betrof meestal verblijfsvergunningen en paspoortverordeningen.
Het Chinese gezantschap zette zich ondanks eigen voorbehoud, het meest in voor de kooplieden, waarbij het zich beriep op de overeenkomst van 20 mei 1921 waarin China als gelijkberechtigde natie erkend werd. In de onderhandelingen met de Duitse autoriteiten, probeerde ze de manier van uitwijzen te regelen en de overtredingen van de handelsovereenkomst als een misverstand te verklaren. Terwijl de bezwaren inzake de handelaars de Chinese nationale trots beroerden en als krenkingen werden afgewezen, had de Chinese regering er doorgaans belang bij om de politieke activiteiten van 'linkse' studenten in te dammen. In 1925 hadden de vertegenwoordigers van het gezantschap aan het Pruisische ministerie van binnenlandse zaken een lijst overgedragen met namen en adressen van linkse studentenleiders.