De Chinezen in Duitsland, sloegen nauwelijks acht op de veranderingen in de binnenlandse politiek. De bedreiging van hun vaderland door de Japanse expansiepolitiek en de interne Chinese conflicten, waren voor de meesten van groter belang. Wanneer de Nationaal-socialisten in 1933-35 hun machtspositie verwierven en bestendigden door de vervolging van al hun politieke tegenstanders, werden in het voorjaar van 1933 ook Chinezen die met communistische of socialistische organisaties samenwerkten, gearresteerd en uitgewezen. Een dergelijk geval betrof het lot van de studente Chen Qiying, die door haar openbare optredens als spreekster van de Internationale Socialistische Strijdbond (ISK) bij de politieautoriteiten bekend was.
Zij was lid van de Liga voor mensenrechten en sinds december 1932 actief lid van de ISK. In februari 1933 werd zij wegens staatsvijandige activiteiten als ongewenste buitenlandse uitgewezen. Hoe strikt het politietoezicht werd toegepast toont een briefwisseling tussen het Chinese gezantschap en het Duitse Ministerie van Binnenlandse zaken uit 1935. Chen Qiying had vanuit China gevraagd om aan haar tegoeden bij de Duitse bank te komen. Een terugschrijven van het ministerie van financiëen bevatte de boodschap dat Cheng aan de hand van inlichtingen verzameld door ambtenaren van de Gestapo (Geheime Staatspolitie) lid was geweest van een marxistische vereniging. Daar het geld volgens de Gestapo toch maar zou aangewend worden om staatsgevaarlijke doelen te verwezelijken, werd het in beslag genomen.
De maatregelen tegen politiek actieve Chinezen en hun uitwijzing waren de Tjang Kai Tchjeck-regering doorgaans welgevallig. Zo wendde het Chinese gezantschap zich omstreeks juni 1933 tot het Ministerie voor Vreemdelingenzaken en het Pruisische Ministerie voor Binnenlandse Zaken en vroeg hulp tegen 13 Chinezen die op de hoogte waren van de Duitse communistische connecties met Nanking. Slechts een paar dagen later werd de studente Hu Langi die met Anna Seghers bevriend was en nauw samenwerkte met de KPD, in hechtenis genomen en tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld.
Dit was echter pas het begin van de samenwerking van de Chinese autoriteiten met de Gestapo tegen politiek ongewenste Chinezen. In 1935 wendde de Gestapo zich bijvoorbeeld tot het Chinese gezantschap en vroeg hen hulp bij de speurtocht naar een zekere Sian Fun; het gezantschap vroeg op zijn beurt of het tijdschrift 'Zhongguode chulu' dat tegen Tsjang Kai Tchjeck ageerde, niet kon verboden worden.
De Gestapo en het ministerie van binnenlandse zaken waren geen voorstander om de Chinese vertegenwoordiging in overleg en acties te betrekken die niet communistische groeperingen betroffen. Doch ook de Chinese handelaars en kooplieden vielen onder toezicht van de Gestapo. Reeds voor 1933 werd door het 'rijkscommissariaat voor bewaking van de openbare orde' (RKO) een steekkaartenbak aangelegd van de Chinese staatsburgers. In een nota van het RKO van maart 1927 werden precieze aanwijzingen gegeven voor de opname in het kaartenbestand, o.a. naamsbeschrijving, indicatie van politiek verdachte Chinezen, en agitatoren.
De Chinese kaartenbak is in vier kasten onderverdeeld. Chinezen die in Duitsland politiek op het voorplan treden moeten zowel in het algemene bestand opgenomen worden als in het Chinese. Het is vermeldenswaard dat in de vermeldingen van de RKO de groep van kleinhandelaars als radicaal vermeld werd. Blijkbaar had deze inschatting betrekking op de in Hamburg levende Chinezen die voor 'Hapag Lloyd' werkten en die verbonden waren aan de Internationale Arbeiders en Tewerkstellingsbeweging. Vermoedelijk was het ministerie van binnenlandse zaken op de hoogte van de activiteiten van Liao Chengzhi die te zijner tijd door de Chinese communistische partij (KPCh) naar Duitsland gestuurd was om er te agiteren.
Een verdere oorzaak kon erin bestaan dat een deel van de studenten zich voor koopman uitgaf om een inreisvergunning te verkrijgen. Vanwege de economische recessie was de Duitse houding tegenover de handelaars verslechterd, daar ze als concurrent aanzien werden voor de Duitse kleine zelfstandigen. Het Rijksverbond van de Duitse groothandelaars en overzeese handelaars hadt zich reeds in 1928 bij de autoriteiten beklaagd over inbreuken op de bedrijfsverordeningen: "Wij vragen het politie-praesidium om zijn waakzaamheid te wijden aan deze Chinese marktkramers en in het bijzonder die gevallen te vervolgen waarin marktkramers niet in het bezit van een leurdervergunning zijn of inbreuken plegen tegen de Duitse wet op de handelspraktijken. Bovendien zouden wij dankbaar zijn voor een onderzoek of de wetsbepalingen voor verdeling van de leurderkaarten aan buitenlandse marktramers streng genoeg gerespecteerd worden en of hier de mogelijkheid niet bestaat om de Duitse handel de nodige bescherming te verlenen."
Dergelijke eisen voor beperking van inreis- en werkvergunningen zouden in de daaropvolgende jaren de maatregelen versterken van controle en discriminatie van de Chinese kleinhandelaars. In de akten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken bevinden zich talrijke gevallen van aanklachten tegen de Chinese handelaars. Meestal betreft het overtredingen van de paspoort- en bedrijfsreglementen of bedrog en vervalsing van bedrijfsvergunningen. De veroordelingen tot geld- en gevangenisstraffen moesten wegens ontbrekende middelen in hechtenisstraffen omgezet worden.
Door een decreet van Reinhard Heydrich, sinds 1934 leider van de Gestapo, werd in januari 1938 een 'Centrale Dienst voor Chinezen' opgericht die verblijfsvergunningen en bedrijfsvergunningen strikter opgevolgde. De betekenis van een controle werd pas duidelijk uit verklaringen afgenomen bij politioneel voorarrest. Zo konden doelbewust gecontroleerden in voorarrest genomen worden, "wanneer ze de hen toebedeelde verplichtingen kwaadwillig en bewust, grootschalig of herhaaldelijk op geringe wijze hadden overtreden"