August Camillus Gislenus Maria Borms wordt geboren op 14 april 1878 te Sint Niklaas (Oost-Vlaanderen) als het tweede kind van Lodewijk Borms, een handelsreiziger, en Maria Vandenbossche, dochter van een welstellende tabaksfabrikant uit Willebroek. Lodewijk kan door zijn huwelijk zijn status verbeteren en wordt zelf ook tabaksfabrikant. Op 7-jarige leeftijd overlijdt de moeder van Borms en nauwelijks twee jaar later hertrouwd zijn vader met Octavie Willeput. Het gezin Borms had uit het eerste huwelijk drie kinderen en daar komen met het tweede huwelijk nog 5 kinderen bij.
Tussen 1890 en 1896 volgt hij les aan het Klein Seminarie van Sint Niklaas. Vooraleer hij zijn studies kan verder zetten aan de universiteit van Leuven, moet Borms nog zijn militaire dienstplicht vervullen. Tot aan de wet van 1909 gebeurde dit nog bij loting en Borms trok in 1898 het verkeerde nummer en moest normaal het leger in. Doordat zijn oudere broer Karel reeds zijn militaire plicht had vervuld en in de administratie was terechtgekomen, wordt Borms ontslagen van zijn plicht en kan verder studeren.
Aan de Leuvense universiteit ontwaakt zijn Vlaams-nationalisme. Hij wordt lid van het Katholieke Vlaamse Oud-Hoogstudentenverbond van Oost-Vlaanderen en neemt prompt het voortouw in de Vlaamse strijd. Hij leert er vele mensen kennen die later topfiguren zullen worden in de Vlaamse beweging van toen zoals Jules Persyn en Edmond Van Dieren. Borms studeert af in 1900 en wordt anderhalf jaar lang huisonderwijzer bij minister Eduard Descamps. In 1901 krijgt Borms zijn diploma en een jaar later een aanstelling als leraar in Nijvel waar hij zijn vroegere medeleerling Jules Persyn en de dichter René De Clercq als collega's krijgt.
Intussen heeft Borms een meisje van zijn leeftijd leren kennen, Cesarina 'Rientje' Smet uit Lokeren met wie hij op 23 februari 1903 in het huwelijksbootje stapt. Vijf dagen later stapt hij in één van zijn meest avontuurlijke periodes en vertrekt met zijn jonge bruid naar Peru, om daar als onderwijzer aan de slag te gaan op uitnodiging van de Peruviaanse regering om daar het middelbaar schoolonderwijs op poten te zetten en Belgische leraars de reputatie hadden bekwaam en van grote zedelijkheid te zijn.
Borms zal later in zijn memoires toegeven dat hij enkel gegaan is om het hoge salaris dat hem in staat stelde met zijn geliefde Rientje te huwen. Voor hem zijn het de mooiste jaren van zijn leven en herinnert hij zich vooral zijn vele ontdekkingsreizen te paard naar het binnenland. Rientje kan maar moeilijk wennen aan de barre levensomstandigheden in Lima en smacht naar huis.
Ondertussen werden in Peru twee kinderen geboren in het gezin Borms, op 8 feb. 1904 Anita en op 23 sep. 1905 Rosita. In december 1906 eindigt het avontuur van Borms in Peru en trekt hij terug naar huis waar hij in Lokeren gaat wonen. Borms zal enkele jaren later op 5 augustus 1912 voor zijn bewezen diensten in Peru worden onderscheiden met de Orde van Leopold II (die hij zeven jaar later weer zal verspelen omwille van zijn collaboratie tijdens WO I).
Hij geeft tot aan 1909 les aan het Atheneum van Gent en later aan het Atheneum van Mechelen, waarna hij leraar wordt aan het Atheneum van Antwerpen, waar hij tot december 1916 zal les geven, en verhuist met zijn gezin naar Merksem. Het gezin wordt verder uitgebreid met drie zonen: Wilfried geb. 23 sep. 1907, Lodewijk op 8 jan. 1909, op 3 okt. 1910 Herman en in 1915 nog een vierde zoon Edmond.