In 1974 bracht Mieke Van Haegendoren haar biografie over Hendrik De Man uit in zes lijvige delen. Op de flaptekst wordt het initiatief aldus toegelicht: "De generatie, die uit het lijden en het puin van de oorlog in 1945 de teugels in handen nam, kon en wilde niet begrijpen dat een BWP-voorzitter en een zo vooraanstaand politicus zijn partij voor ontbonden verklaarde en zijn begrip en medewerking betoonde voor een Nieuwe Orde. Het fenomeen Hendrik de Man – de theoreticus en de pragmaticus, de scherpe analyticus, zowel als de ontgoochelde en falende politicus – boeit ons, de generatie van 1974, die geen behoefte heeft aan een apologie, eerherstel of nieuwe veroordelingen, maar in de crisisvragen van de eigen tijd ook bouwstoffen tot antwoord wil vinden."
Het redactiecomité met Herman Balthazar, Mieke Claeys-Van Haegendoren, Walter De Brock, Piet Frantzen, Lode Hancké en Leo Magits zou de bewerkte kopij aanleveren. Een adviescomité met Henk Brugmans, Piet De Buyser, Jan De Man, Lie De Man, Léo Moulin, Maurits Naessens, Ivo Rens, Jef Rens en Adriaan van Peski moest aangeven wat gewenst was. De Sleghte heeft zich daarna veel moeite getroost om de zes kloeke delen van De Man op te ruimen. bron: Imavo vzw
De naam van De Man kwam in de jaren tachtig wereldwijd nog eens negatief in de actualiteit. De in 1983 overleden Paul De Man (1919-1983), die na zijn vlucht uit Europa in 1947 een gezaghebbende deconstructivistische literatuurcriticus aan de Amerikaanse universiteit van Yale was geworden, werd na zijn dood ontmaskerd als een ex-collaborateur die antisemitische boekbesprekingen in o.a. de "gestolen" Le Soir had gepleegd. Deze Paul De Man, geboren in Antwerpen en afgestudeerd aan de universiteit van Brussel, die zich in Amerika uitgaf voor de zoon van Hendrik De Man (hij was in feite een neef), sleurde in zijn postume val ook zijn vriend en geestesverwant de Franse filosoof Jacques Derrida met zich mee.
Op 12 december 2003 werd te Antwerpen een colloquium gehouden over de "actualiteit van het denken van Hendrik de Man". De oproep ging uit van de voorzitter van het Genootschap, Lode Hancké onder het voorzitterschap van de Gentse historicus Herman Balthazar. De kennisgeving deed vermoeden dat de initiatiefnemers het zwarte verleden van Hendrik De Man uit het debat wilden houden. Er kwam dan ook uit diverse kringen felle kritiek. Men vond deze manifestatie ongepast.