Intussen begon in Leipzig op 21 september 1933 het proces tegen de zgn brandstichter van de Rijksdag Rinus van der Lubbe, dat tot 23 december duurde. Zeer tot frustratie van Adolf Hitler werd enkel van der Lubbe ter dood veroordeeld en kregen de andere verdachten vrijspraak. De Nederlander Rinus Van der Lubbe werd op 10 januari 1934, 3 dagen voor zijn 25ste verjaardag, onthoofd met de valbijl.
Enkele dagen later, 18 januari '34, schreef de Minister van Binnenlandse Zaken Wilhelm Frick (1877-1946) aan Rijksminister van Justitie Dr. Franz Gürtner (1881-1941): "Der Verlauf des Strafverfahrens gegen van der Lubbe u(nd) Gen(ossen) hat bewiesen, daß das ordentliche Verfahren vor dem Reichsgericht für die Aburteilung derartiger Schwerverbrechen nicht geeignet ist, die eine rasche und abschreckend wirkende Sühne verlangen. (…) Um in etwaigen künftigen Fällen den gleichen Fehler zu vermeiden, erscheint es mir dringend erforderlich, daß zur Aburteilung von derartigen Schwerverbrechen, für die nach den geltenden Vorschriften das Reichsgericht zuständig ist, ein Sondergericht eingesetzt wird. Dieses Sondergericht müßte durch Hinzuziehung von Vertretern der NSDAP und der SA die unbedingte Gewähr für ein schnelles und den Interessen des Staates Rechnung tragendes Verfahren und Urteil bieten. (…)"
Deze volgens Hitler 'ontgoochelende straffen' leidde enkele maanden later tot een nieuwe wet "Gesetz zur Aburteilung von Hoch- und Landesverrat" en op 24 april 1934 wordt het Volksgerichtshof (Volksrechtbank) opgericht dat op 1 augustus 1934 als 'Sondergericht' haar activiteiten aanvatte in Berlijn. Op 18 april 1936 werd de Sondergerichten bij wet gelijkgeschakeld met de gewone rechtbanken. Tegen een vonnis van een Volksrechtbank was geen beroep mogelijk en rechtsmiddelen werden niet toegelaten. De enige mogelijkheid om onder een oordeel van de Volksrechtbank onderuit te komen, was een genadeverzoek indienen bij de Führer Adolf Hitler, maar dat werd in regel nooit toegestaan.
De Volksrechtbanken (Sondergerichten) bestonden uit vijf rechters waarvan er slechts twee beroepsrechters moesten zijn. De overige drie rechters waren meestal regeringsgetrouwe lakeien afkomstig uit de NSDAP (Nationalsozialistischer Deutscher Arbeiterpartei), het Leger (Wehrmacht) en de politie. De rechters werden na voordracht van het rijksministerie van justitie, persoonlijk door Adolf Hitler benoemd. President van het Volksgerichtshof werd op 1 juni 1936 Otto Thierack die zich in augustus 1942 laat opvolgen door Roland Freisler.
Sondergerichten waren aanvankelijk bedoeld voor het berechten van politieke delicten, of zoals het genoemd werd in het Rijksdagdecreet: "..het vormen van een politieke bedreiging voor 'volk en staat'." Kritiek op de regering of op de NSDAP, zelfs in privésfeer, werd voortaan een misdrijf. Vermits dergelijke aantijgingen ook over privégesprekken ging, konden die alleen aan het licht komen als zij werden verklikt, en verklikken werd dan ook de nationale sport in nazi-Duitsland...
De rechtbanken hanteerden een simpele vuistregel: "Recht ist, was dem Volke nützt", "Wie een overtreding begaat tegen de volksgemeenschap, moet sneuvelen." Iemand die bijvoorbeeld voedselbonnen stal of steekpenningen had aangenomen voor dergelijke bonnen, kreeg de stempel Volksschädling opgeplakt en werd prompt ter dood veroordeeld.
De verdediging stelde nauwelijks wat voor. Advocaten van de aangeklaagden verwerden slechts tot figuranten in een proces waarvan de uitslag al bij voorbaat vastlag. Het is pas vanaf 1942 onder Roland Freisler dat het Volksgerichtshof tot een instrument van de terreur zal uitgroeien. In 1934 en 1935 vielen slechts negen doodvonnissen, onder Freisler zal dat spoedig escaleren naar spectaculaire hoogte die hem spoedig de bijnaam Bloedrechter van de Führer zal opleveren.