Ondanks alle schone schijn en de uitvoerige propaganda van de nazi's, waren in werkelijkheid de leefomstandigheden in Theresienstadt al even verschrikkelijk als in de andere concentratiekampen van het Derde Rijk. De bevolking zat er opeen geperst met alle gevolgen van dien. Uithongering, ongedierte zoals wandluizen en ratten, regelmatig braken er tyfus en andere besmettelijke ziekten uit en bijna iedereen werd gekweld door dysenterie.
De hoopvol gestemde joden die bepakt en bezakt in Theresienstadt aankwamen, vielen meteen achterover van de stank en de ellende. Rottende lijken die overal in de nauwe straatjes lagen, rondslingerend vuil, afschuwelijke toestanden traumatiseerden haar bewoners. De bevoorrechte joden waren met open ogen in de list van de SS getrapt.
Een overlevende Karel Fleishmann beschrijft de toestand: "Ik zie hen, de voornaamste mensen van Keulen, tegen de muur leunen, dodelijk vermoeid, met een gekwelde gelaatsuitdrukking, oude mannen met kortgeknipte baard en snor, zilverharige vrouwen met een zwart hoedje, zwarte jurk en handschoenen, een wandelstok met zilveren handvat, een elegante koffer, alsof ze naar een kuuroord waren gekomen. Maar alles was afschuwelijk gebrekkig, misvormd, smerig, en stonk naar menselijk vuil (..) een visoen van ouderdom, ellende, somberheid, flauw verlicht door een paar kaarsen, terwijl verpleegsters heen en weer renden met geïmproviseerde stilletjes."
Zo was er het intrieste geval van die Oostenrijkse kolonel met hoge onderscheidingen die elke dag met een deken strak om zijn lijf geslagen, door de stad liep. Pas nadat hij longontsteking kreeg en moest opgenomen in de ziekenzaal, ontdekten de verpleegsters dat hij geen draad aan zijn lijf had onder de deken.
Al vroeg beseften de bewoners dat Theresienstadt helemaal geen veilig paradijs zou zijn. Op 5 januari 1942 werd een eerste contingent van 1000 joden naar Riga deporteerd. In de daarop dertien volgende maanden vertrokken nog eens 39 transporten die ruim 50 000 mensen naar de het vernietigingskamp Treblinka en later ook naar Auschwitz-Birkenau vervoerden. Uiteraard wist niemand die in het getto achterbleef van de eindbestemmingen af, en nog veel minder wat hun lot werd. De Raad van Ouderlingen moest onder dwang van de SS de selecties uitvoeren wie er moest gedeporteerd worden.