Tussen 1865 en 1875 produceerde J A Topf verwarmingsinstallaties. Stichter Johann Andreas Topf (1816–1891) was van beroep ook meesterbrouwer [Braumeister], en runde vanaf 1875 een eigen brouwerij. Later werd de brouwerij uitgebreid met een experimentele mouterij en werd er door de oudste zoon Gustav Topf een experimenteel laboratorium opgezet. In 1878 traden twee andere zonen toe tot het bedrijf en veranderde het bedrijf haar naam in J. A. Topf & Söhne. Onder leiding van Ludwig Topf Senior (1863–1914), groeide de staf van medewerkers uit tot een bloeiende onderneming met meer dan vijfhonderd medewerkers en fabrieksarbeiders.
Zijn vrouw Else baarde hem drie kinderen, in 1900 Ludwig Topf Junior, dan in 1902 een dochter Johanna en een tweede zoon op 30 november 1904, Ernst-Wolfgang Topf. Onder Ludwig Topf Senior was het bedrijf aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog uitgegroeid tot 's werelds meest toonaangevende bedrijf in de fabricatie van installaties voor bierbrouwerijen. Wanneer Ludwig Senior overlijd in 1914 neemt Ludwig Junior Topf het bedrijf stevig in handen. In 1929 komt ook de jongere broer Ernst-Wolfgang in het bedrijf.
Vanaf 1914 begon Topf & Zonen met het produceren van crematoria-ovens voor burgerlijke begrafenissen. In de fabriek werden toen ook al verwarmingsapparaten op stoom gemaakt alsook ventilatiesystemen en ver- en ontluchtingsapparaten. Tijdens het interbellum in de Weimar Republiek werden onder de leiding van Ludwig Topf nieuwe directeuren aangesteld en bleef het bedrijf zich verder uitbreiden.
Toch kon tijdens de economische crisis van begin jaren dertig een faillisement maar ternauwernood worden afgewend. Het bedrijf wist de crisisjaren te overleven met de fabricatie van silo's. Het is pas nadat de nazi's in 1933 de macht grepen en Duitsland zich vanaf 1935 begon te herbewapenen, dat Topf & Zonen zich kon herpakken en een relatieve bloeiperiode doormaakte.
In 1939 bereikte het personeelsbestand haar hoogste piek: ruim 1.150 medewerkers. Wanneer de oorlog uitbrak en de helft van de fabrieksarbeiders en medewerkers werd opgeroepen om dienst te nemen in het Duitse leger, werden de open gelaten arbeidsplaatsen opgevuld met krijgsgevangenen, dwangarbeiders, veroordeelde communisten en half-joden.