De Belgische Anti-Maçonnieke Liga tijdens de Tweede Wereldoorlog, was niet de eerste. Zij kende in ons land enkele illustere
voorlopers. In 1885 werd door een aantal katholieken als een directe reactie op de encycliek
'Humanum Genus' van paus Leo XIII van
20 maart 1884, de Ligue antimaçonnique opgericht, die tot doel had de vrijmetselarij op een georganiseerde wijze te bestrijden.
Het Geval Léo Taxil ondermijnde echter de hele operatie
en de Ligue verdween in 1897 al even snel als ze gekomen was.
Een tweede poging tot georganiseerde anti-vrijmetselarij kwam er in 1910 toen onder Valentin Brifaut, die volksvertegenwoordiger was
van de Katholieke Partij (een vroege voorloper van de CVP thans CD&V), de Antivrijmetselaarsbond werd
opgericht. Brifaut werd snel door de Katholieke Partij opgegeven omwille van zijn fantaisistische complottheorieën en aan de
vooravond van de Eerste Wereldoorlog was de Antivrijmetselaarsbond in 1914 alweer opgedoekt.
De loges die tijdens WO I door de bezetter
in het oog werden gehouden maar niet verboden, beperkten zich tijdens de oorlog tot hulpverlenende activiteiten zoals inrichting
van veldhospitalen, hulp aan geteisterde broeders, uitdeling van soep en middagmalen, oprichting van aan- en verkoopcoöperaties, enz.
Tijdens het interbellum ontstonden in Europa totalitaire regimes, zowel van uiterst rechts als van uiterst links, die de een
na de ander de vrijmetselarij in de ban sloegen en hun activiteiten verboden. In Rusland werden in 1903 (in 1905 herwerkt) de beruchte
Protocollen van de Wijzen van Sion in elkaar
geflanst die later gretig aftrek zullen vinden bij de nazi's en bij de Nieuwe Orde bewegingen van de Lage Landen en in de rest van
West-Europa, om aldus het denkbeeldige bestaan van een judeo-maçonnieke samenzwering aan te tonen.
Na de Russische revolutie in november 1917 waaide die imaginaire link tussen jodendom, vrijmetselarij en bolsjewisme stilaan de rest van
Europa binnen. Duitsland had de oorlog verloren en in de nasleep van de Russische Revolutie vond in Zuid-Duitsland de
Spartakistenopstand (5-12 jan. 1919) plaats en kende het erg korte bestaan van de Sowjetstaat Beieren, die erg bloedig door de
Reichswehr en met de hulp van zogeheten Freikorpsen, in de kiem werd gesmoord. (zie deel 3 van de Vervolging v/d Vrijmetselarij)
Ook de Sowjets keerden zich tegen de vrijmetselarij en het blijft onbegrijpelijk vanwaar die link vrijmetselarij/bolsjewisme
vandaan komt vermits de Sowjets zèlf actieve anti-maçonnerie hadden bevolen. In 1922 gaf het Sowjetregime
volgende verklaring uit: "Het is beslist noodzakelijk dat
de leidende elementen van de partij alle kanalen sluiten die leiden naar de middenklasse en derhalve een definitieve breuk met de
vrijmetselarij tot stand brengen. De kloof tussen het proletariaat en de middenklasse moet duidelijk ter kennis van de
Communistische Partij worden gebracht. Een klein deel van de leidende elementen in de partij wenst deze kloof te ovebruggen en
gebruik te maken van de maçonnieke loges. De vrijmetselarij is een zeer oneerlijke en schandelijke zwendel van het
radicaal gezinde deel van de middenklasse. We beschouwen het als onze plicht haar tot het uiterste te bestrijden."
De Sovjetunie had de voorzet naar de politieke anti-maçonnerie gegeven en kreeg snel navolging. In 1919 volgde
het regime van Bela Kun in Hongarije. In West-Europa werden de loges het mikpunt van de fascistische of dictatoriale regimes, die
één na één de geheime genootschappen verboden: het Horthyregime in Hongarije in 1920, Mussolini's Italië in
1925, Antonio Salazar in Portugal en nogal voorspelbaar in het Duitse Rijk in 1935 waar de meeste loges al vanaf 1933 eigenhandig
hun werkzaamheden opschortten nadat Hitler op 30 januari '33 Rijkskanselier was geworden. Polen volgde in 1938 en Generaal
Franco's Spanje in 1940. Door de invasies van nazi-Duitsland èn van de Sovjetunie werden overal in West- en Oost-Europa de
loges in de ban geslagen.
De Belgische vrijmetselaars konden niet lang onverschillig blijven. In november 1925 publiceerde het Belgisch Grootoosten een manifest,
waarin plechtig werd geprotesteerd tegen de opheffing van de Italiaanse loges. Een jonge broeder van Les Amis Philanthropes, Leo
Moulin (1906-1994), voegde de daad bij het woord en trok in mei 1931 naar Italië met een lading pamfletten om
tegen het fascisme te ageren. Hij werd prompt aangehouden en veroordeeld en de hele vrijmetselarij spande zich in om hem vrij
te krijgen wat een jaar later lukte en Leo Moulin werd als een held weer ingehaald.
In 1933 publiceerde het Grootoosten een protest tegen de jodenvervolgingen in Duitsland en vanaf 1936 steunde hij de Spaanse
republikeinen en vooral de Spaanse vrijmetselaars, die om hulp schreeuwden tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Hoe meer de
vrijmetselarij zich solidair toonde met de vervolgde broeders, des te meer werd ze natuurlijk het mikpunt van aanvallen
door diegenen die het verbieden van de loges als een rechtmatige zaak beschouwden. Voor de ene was de Spaanse Burgeroorlog het
werk van de vrijmetselarij (Paul Ouwerx van de Anti-maçonnieke Liga) en het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) van Staf de Clercq zag er dan weer de hand
van de joden in. De VNV-pers fulmineerde vanaf 1936 constant op het joods-bolsjewistische gevaar. Voor hen was de Sowjetunie een
jodenstaat net zoals de Spaanse Republiek dat ook was.
Vanaf september 1939 kantten veel vrijmetselaars zich tegen de neutraliteitspolitiek van België en wilden ze de strijd
aangaan aan de zijde van Engeland en Frankrijk. Hoewel het Grootoosten hier zelf geen officieel standpunt in nam, werd toch in de
vijandige pers verzekerd dat de Oproep der 59, die door heel wat vrijmetselaars was ondertekend, een
initiatief van de loges was.
De vrijmetselarij was in de voorbije decennia veeleer de neutralistische en pacifistische richting opgegaan. Zij koesterde grote
verwachtingen in de Volkenbond, die, volgens een verklaring van het Grootoosten in 1925, op het politiek vlak dezelfde
doelstellingen nastreeft als de vrijmetselarij op het moreel vlak. Het Belgisch Grootoosten was dan ook medeoprichter van een
Internationale Vrijmetselaarsfederatie voor de Volkenbond.
In de schoot van de vrijmetselarij was al van voor de Eerste Wereldoorlog een radicaal-pacifistische groep ontstaan, die de
politiek van het gebroken geweer voorstond. Eén van de vaandeldragers hiervan was de achtbare meester van
Les Amis Philanthropes en ondervoorzitter van de Senaat, de socialist en pacifist Henri Lafontaine (1854-1943),
die in 1913 de Nobelprijs voor de vrede ontvangen had nadat hij een Wereldcongres voor de Vrede in Den Haag had voorgezeten en er had verklaard "dat officieren en soldaten
zo een afgrijzen van de oorlog moesten hebben dat ze hun wapenen verbrijzelden op hun knieën". bron