Intussen werd het Belgische kroonstuk van de anti-maçonnieke actie voorbereid: De Anti-maçonnieke tentoonstelling.
Die beruchte tentoonstelling zal tussen 30 januari 1941 en 31 mei 1942 het hele land afreizen. In totaal zouden ongeveer 115.000
bezoekers die tentoonstellingen bezocht hebben, maar die cijfers werden wel stevig opgesmukt om de Sicherheitsdienst te paaien.
Het idee van die tentoonstelling kwam niet van de Liga van Ouwerx maar was vanuit Vichy-Frankrijk overgewaaid naar onze locale
anti-maçonniekers. De collaborende maarschalk Henri Philippe Pétain had zijn anti-semitische en anti-maçonnieke
gevoelens nimmer onder stoelen of banken gestoken. De Franse loges hadden zich kort na het aanstellen van het Vichy-regime al in juni/juli 1940
ontbonden en Pétain vaardigde op 13 augustus een nieuwe wet uit die de geheime genootschappen verbood.
In Frankrijk hadden ze al 150 jaar ervaring met anti-maçonnisme die nog dateerde van de tijd van de
Zaak Dreyfus en de strapatsen van
Léo Taxil. Het kon de Franse anti-maçonniekers
maar weinig schelen dat de boeken van Taxil pure verzinsels waren geweest, want al zijn boeken en geschriften werden samen met dat andere
leugenachtige pamflet De Protocollen van de Wijzen van Sion,
in duizenden oplagen opnieuw verspreid. Ook Léopold Flament van de Liga zal in 1943 de Procollen opnieuw uitbrengen onder de
schuilnaam Regulus. De Protocollen werden aldus het meest verspreid en gelezen tijdens de Tweede Wereldoorlog alhoewel het tot op
heden nog steeds wordt aangehaald door zowel extreemrechts als door anti-Zionistische organisaties en dat vooral in moslimlanden.
Vanaf oktober 1940 vond een hele reeks anti-maçonnieke tentoonstellingen plaats in Frankrijk die door Bernard Fay was samengesteld.
Talrijke aangeslagen voorwerpen en documenten werden aan het publiek tentoongesteld die plaats vonden in de aangeslagen tempels van de loges.
De opkomst van het publiek was maar mager, ondanks dat de Franse collaboratiepers tijdens de duur van de tentoonstellingereeks
voortdurend allerhande indianenverhalen publiceerde over de vrijmetselarij.
Léon Degrelle had in Parijs die tentoonstelling bezocht en vond dat ze naar België moest gehaald worden en nam
daarover contact op met de Sicherheitsdienst in Brussel. Dat verzoek kwam net binnen op het moment dat Ouwerx en Jean Flament
met Canaris van de Sipo-SD en de Duitse Propaganda-Abteilung onderhandelingen voerden over een Brusselse anti-maçonnieke tentoonstelling
die later eventueel naar Gent, Antwerpen en Luik kon gaan. Canaris vreesde dat Degrelle die tentoonstelling zou misbruiken om
propagada voor zijn partij Rex te maken en hield het voorstel van Degrelle van zich af.
Beslist werd om de eerste van de reeks anti-maçonnieke tentoonstellingen plaats te laten hebben in de werkplaats van
de vrijmetselarij in de Lakensestraat 79 waar ook het HQ van de Gestapo was gehuisvest nadat het gebouw van de vrijmetselarij in
de zomer van 1940 was geconfisceerd. Léopold Flament ontwierp de catalogus van de tentoonstelling. Opvallend in de catalogus
was de foto waarop drie doodshoofden prijkten, getooid met respectievelijk de koningskroon, een pauselijke tiara en een laurierkrans.
De begeleidende commentaar van Flament luidde dat "dit beeld één van de einddoelen van de vrijmetselarij symboliseerden:
het omverwerpen van de monarchie, pausdom en militarisme".
De tentoonstelling werd opgevat in acht thema's: de organisatie van de loges in België, de beschermfunctie van de vrijmetselarij,
de onmogelijkheid van de Orde om specifieke (maatschappelijke) vragen op te lossen, de ridiculisering van de religieuze beleving van niet-maçons,
het gebrek aan goede smaak binnen de loges, jodendom en vrijmetselarij, antinationalisme en kosmopolitisme, en antivolkse houding
van de maçonnerie.
Op 19 maart 1941 werd de tentoonstelling in Brussel gesloten en verhuisde achtereenvolgens naar Antwerpen, Luik, Gent, Namen, Charleroi,
Mons, Doornik, Kortrijk, Ieper, Oostende, Brugge, Leuven en Hasselt waar ze op 31 mei 1942 ten einde liep. Al bij al was er maar een magere opkomst.
De tentoonstelling werd opgesmukt met doodshoofden, drie-, vijf- en zeshoeken, zonnen en manen en brandende kaarsen. Daarmee hoopten
de anti-maçonniekers in te spelen op folkloristische elementen zoals heksen, zwarte magie, duivelaanroeping enz. Het publiek bleek
eerder nieuwsgierig te zijn dan angstig en sommigen waren zo gefascineerd door de tentoonstelling dat ze zich na de oorlog aansloten
bij de vrijmetselarij.
Intussen liep het gekrakeel binnen het bestuur van de Liga -net zolang de tentoonstelling liep en nog lang daarna- hoog op.
Flament en Ouwerx beschuldigden elkaar wederzijds van fraude en het achterhouden van inkomsten van de Liga. Ook met Degrelle liepen de ruzies hoog op. Léopold Flament
beschuligde Degrelle ervan van Pools-Joodse afkomst te zijn. Zijn roots zouden terug gaan tot 1760 toen de Poolse jood Isaac Mozkovski naar
Frankrijk emigreerde en zijn naam veranderde in Legrellé en zijn nazaten zich later Degrelle begonnen te noemen. In het boek
van Jimmy Koppen worden tientallen pagina's besteed aan die interne ruzies die bijwijlen ronduit karikaturaal zijn. Op 7 augustus 1942
slaagde de rexist José Streel door zijn bemiddeling het gekrakeel te doen ophouden.