De antimaçonnerie is wellicht al even oud als de vrijmetselarij zélf, die oorspronkelijk in 1717 werd opgericht in Londen.
Rond 1900 was het begrip van een joods-maçonnieke samenzwering in zowat alle conservatieve kringen in Frankrijk en Duitsland
helemaal ingeburgerd geraakt. Beide landen konden putten uit een lange traditie van anti-semitische en antimaçonnieke
geschriften. Niet toevallig is ook dat ze allemaal wel op de een of andere manier naar mekaar verwijzen of elkaars werken geheel
of gedeeltelijk plagieren of herschrijven al naargelang het hen beter uitkwam. Als de waarheid niet voldeed aan hun doeleinden,
moest er maar een nieuwe waarheid worden 'gefabriceerd'.
Andersom, en in de context van dit historisch essay, zou men dan ook eerder geneigd zijn te denken aan een wereldwijde samenzwering
van de Nieuwe Orde tegen joden, communisten, vrijmetselaars, andersdenkenden e.a. minderheden. Onder het nationaal-socialisme
lijkt dat complot van conservatieve rechtsextremisten inderdaad behoorlijk geloofwaardiger en het heeft in elk geval tot ernstige
en gruwelijke konsekwenties geleid: grootschalige discriminatie, vervolging, concentratie- en vernietigingskampen, gaskamers,
crematoria tot regelrechte genocide op industriële schaal. Het is maar hoe je het bekijkt...
Het werk van de Franse jezuitenpater Augustin Barruel (1741-1820) gold tot dan algemeen als de bijbel van de
anti-vrijmetselarij. 'Mémoires pour servir à l'histoire du Jacobinisme' werd geschreven tussen 1797 en 1799, bevat vijf delen en
bijna 2000 pagina's. Het verhaalt over een denkbeeldig drievoudig geheim complot met als enige doel de omverwerping van de
bestaande monarchiën en het breken van de invloed van de kerk. Hoofdrolspelers in deze geheime samenzwering waren volgens
Pater Barruel de vrijmetselaars, de filosofen van de verlichting, de illuminaten, de Jacobijnen en de revolutionairen.
In 1868 bracht de Duitse schrijver Hermann Goedsche (1815-1878) onder het pseudoniem Sir John Retcliffe een herwerking
uit van het werk van de franse satire schrijver Maurice Joly (1829-1878) 'Dialogue aux enfers entre Machiavel et Montesquieu' uit
1865. Goedsche voegde aan zijn boek 'Biarritz. Historisch-politischer Roman' wel een nieuw element toe: hij bedacht een geheime rabinnale
samenzwering die elkaar elke honderd jaar bij middernacht op een begraafplaats ontmoetten om hun agenda van een zgn. joodse samenzwering
op te stellen.
Hij noemde het nieuwe hoofdstuk: 'De joodse begraafplaats in Praag en de Raad van Vertegenwoordigers van de Twaalf
Stammen van Israël' (Rede der Grossrabbiner auf dem Judefriedhof zu Prag). In deze rede doet de opperrabbijn
op de joodse begraafplaats te Praag zogenaamd een oproep aan alle joden in de wereld om door middel van oorlog en revolutie
naar de wereldheerschappij te streven.
Om de meeting te portretteren plagieerde Goedsche een scène uit het werk 'Joseph Balamo' uit 1849 van de wereldberoemde
Franse auteur Alexandre Dumas (bij ons vooral bekend door De Drie Musketiers en De Graaf van Monte-Christo) en bij Marc Joly's 'Dialogen in de Hel'. Na zijn dood in 1878 circuleerde zijn gefantaseerde 'geheime samenzwering'
in het Russische Tsaristische rijk waar het op zijn beurt weer geplagieerd werd door Matvei Golovinski omstreeks
1890 en dat -enkele plagiators verder!- tussen 1903 en 1905 onder de naam De Protocollen van de Wijzen van Sion bekend raakte.
Wanneer de Eerste Wereldoorlog uitbreekt en Franse en Duitse legers tegenover elkaar komen te staan in de loopgraven van Verdun,
zal vier jaar later na de desastreuze afloop van deze wereldoorlog voor Duitsland, een totaal nieuwe dimensie worden gegeven aan
deze complottheorieën. Het verslagen Duitsland moest en zou een zondebok vinden voor de nederlaag. In de nasleep van de
Duitse nederlaag werden deze zgn. judeo-maçonnieke samenzweringstheorieën spoedig opgeklopt tot waanzinnige proporties.