Toen sprak de dappere Horatius, Kapitein van de Poort: "Voor iedere man op deze wereld komt vroeg of laat de dood; hoe kan
hij beter sterven dan in een angstwekkende strijd voor de as van zijn vaderen en de tempel van zijn god." (Macauly)
Direct na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939, en de soldaten van het Derde Rijk buurland Polen binnen
marcheerden, verklaren Engeland en Frankrijk de oorlog aan nazi-Duitsland. Vijrwel meteen beginnen de joodse leden van de Hagannah
te lobyen om deel te mogen nemen aan de strijd de nazi's. De Britten hadden het mandaat over Palestina nog steeds stevig in handen
en aan de joodse Palestijnen (=de Yishuv) werd het enkel toegestaan om dienst te nemen in het Engelse leger.
De Britse regering wilde enkel de joden opnemen in de Buffs, het Royal East Kent Infantry Regiment, dat al in Palestina gelegerd
was. Daarnaast gold een tweede beperking dat joden en arabieren in gelijke aantallen moesten gerecruteerd worden.
Die gelijkwaardigheid werd echter nooit bereikt. Toen in augustus 1942 de Buffs, drie bataljons van het Palestijnse Regiment,
opgingen in een nieuwe koloniale troepenmacht, bleek dat er drie keer zoveel joodse vrijwilligers waren als arabische.
Naarmate de geallieerden optrekken na de landing in Normandië in juli 1944 en de eerste gruweldaden van de nazi's publiek
bekend raken, verandert Winston Churchill van mening. Churchill schrijft in een telegram aan President Roosevelt:
"..de joden hebben meer dan alle andere naties het recht om als herkenbare eenheid tegen de Duitsers
te vechten." Roosevelt antwoordde enkele dagen later: "Ik heb geen enkel bezwaar.."
Op 19 september 1944, Rosh Hashanah (het joodse nieuwjaar) bracht het Britse Ministerie van Oorlog de volgende verklaring uit:
"Zijne Majesteits regering heeft besloten tot de oprichting van een joodse brigade die aan actieve
operaties zal deelnemen. De infanteriebrigade zal gevormd worden uit de joodse bataljons van het Palestijnse Regiment. De noodzakelijke
concentratie voor verdere oefening vindt reeds plaats, waarna de brigade naar een van de oorlogsterreinen zal worden overgebracht."
Op 28 september 1944 wordt een Brigade geformeerd met 3.500 soldaten en 150 officieren. Later wordt de Brigade nog aangevuld met vele recruten
voornamelijk uit de Hagannah en tot een maximale sterkte gebracht van ongeveer 5.500 eenheden. Generaal Ernest Benjamin,
een jood van Canadese origine, kreeg het bevel over de Joodse Brigade.
De Joodse Brigade zal uiteindelijk slechts tijdens de laatste oorlogsmaanden -februari 1945 tot mei 1945- operationeel worden. Meer
dan haar feitelijke militaire waarde werd de Joodse Brigade (Jewish Brigade Group) het symbool van hoop voor het hernieuwde joodse leven in Eretz Israel.
De Brigade -Chativah Yehudith Lochemeth in het Hebreeuws- was samengesteld uit joden van overal uit
Europa. Er ware vluchtelingen uit Duitsland, Oostenrijk, Tsjecho-Slowakije, Hongarije, Roemenië, Rusland en Polen. Ook zwarte
Falasha joden uit Ethiopië en joden afkomstig uit Jemen en vele andere verschillende nationaliteiten waren vertegenwoordigd in
de Brigade. Daarmee werd de Brigade de enige onafhankelijke, nationale, joodse eenheid binnen het Britse leger en binnen de
gezamenlijke geallieerde strijdkrachten die ook onder een eigen embleem en vlag opereerden aan het front.
De Brigade bestond uit drie infanterie eenheden, artillerie en verzorgingseenheden. De ongeveer 5.500 eenheden sterke Brigade
werd eerst op training gezonden naar Egypte. Daarna werd ze ingedeeld bij het Britse 8ste Leger en eind februari 1945
naar Noord-Italië getransporteerd.