Het idee van Stalin om een kunstmatige joodse staat (of 'oblast' =regio) op te richten onstond in 1928. In een desolaat gebied,
gelegen in Oost-Siberië aan de Chinese grens, werd de Joodse Autonome Sovjet-Republiek Birobidjan opgericht. Het onherbergzame
gebied, het voormalige Tikhonka, met een oppervlakte van ongeveer 36.000 km² ter grootte van een land als
België, was overgroeid met bossen, uitgestrekte moerassen en werd geteisterd door rondtrekkende wilde dieren. Tikhonka was door
Rusland geannexeerd in 1858 en werd al in die tijd bevolkt door ongeveer 27.000 Russen, Kozakken, Koreanen en Oekraïeners
totdat de joden er neerstreken. Joodse kolonisten kwamen toe via het treinstation van Tikhonka, een klein dorpje gelegen langs de
Trans-Siberische spoorweglijn. Vanaf 1928 groeit het dorpje snel aan en wordt enkele jaren later herdoopt naar Birobidjan.
De joodse oblast kreeg een eigen vlag en een eigen 'landstaal' het jiddish, dat wel eerst flink uitgekuisd werd van hebreeuwse
woorden en invloeden. Het hebreeuws refereerde naar de zin van Stalin teveel naar religie en zionisme. Het enige wat in het
tegenwoordige Birobidjan nog herinnert aan die begintijd is die speciale taal afgeleid van het gekende jiddish. Het regionale
bestuur van Birobidjan zorgde ervoor dat straatnaamborden, treinstation markeringen en postdatumstempels zowel in het jiddish als
in het russisch werden weergegeven. Aan de scholen werd in het jiddish les gegeven. In 1935 verordonneerde het locale bestuur dat
voortaan alle officiële documenten, publieke boodschappen, posters en advertenties zowel in het jiddish als in het russisch
moesten verschijnen. Birobidjan moest aldus voor de Sovjets het gedroomde Centrum voor Joodse cultuur en traditie worden en de
eerste plaats in de wereld waar de Jiddische cultuur kon gedijen.
Echter, de joden die naar Birobidjan emmigreerden werden spoedig brutaal ontnuchterd. In de eerste jaren van de kolonisatie bleek
al gauw dat het Kremlin haar beloften helemaal niet nakwam. Er heerste een chronisch gebrek aan degelijke huizen, voedsel, medische
zorg en werkgelegenheid. De in alle haast in hout opgetrokken barakken bleken spoedig definitief. In vele gevallen bleek het land
ongeschikt te zijn om te bewerken omdat het onvruchtbaar bleek en de moerassen niet drooggelegd werden. Bovendien bleken de meest
essentiële zaken te ontbreken zoals drinkbaar water, schuren, veestapels, gereedschap en uitrusting. L. Gefen,
directeur van Waldheim, een joodse collectieve boerderij in 1928: "Tweeëndertig kolonisten hebben
een tent opgetrokken, 12 kilometer van het treinstation van Tikhonka. Aldus is de Waldheim-kolonie van start gegaan. De mensen
worden afschuwelijk geteisterd door muggen... maar we beseffen dat de toekomst voor ons ligt. We hebben beslist om geen stap terug
te zetten!"
Tussen 1934 en '35 was de eerste joodse sovjetstaat een feit. Met de oprichting van Birobidjan werd tegelijkertijd ook de
Yevsektsia opgeheven. Birobizjan trok aanvankelijk joden aan vanuit de ganse Sovjet-Unie, vooral dan arme joden uit Litouwen,
Wit-Rusland en de Oekraïne, maar ook van verder afgelegen landen zoals de VS, Argentinië en tot zelfs uit Palestina.
De joden die vanuit het buitenland kwamen en zich wensten te vestigen in de Joodse Autonome Sovjet-Republiek moesten wel eerst
het voor die tijd aanzienlijke bedrag van 200 dollars betalen aan KOMZET (Commité voor de Vestiging van Joodse Boeren
op het Land). Dit bedrag voorzag wel in alle uitgaven die moesten gemaakt worden op hun reis doorheen de Sovjet-Unie naar de enclave.
In 1935 wordt andermaal een nieuwe partijkoers uitgestippeld en de ontwikkeling van het Birobidjan Project begint weer te slabakken.
Maar weinig joden konden overtuigd worden om zich in Birobidjan te vestigen. Tijdens de zuiveringen van eind jaren dertig
werden zelfs joodse publicaties voor een tijd verboden (lees verder.)
Sinds 1930 had Dimanstein zich gekeerd tegen de collectivatie van joodse nederzettingen in de verschillende joodse nationale
districten van de zuidelijke Oekraïne en de noordelijke Krim. In 1935 bracht hij een boek uit 'Joden in de Sovjet-Unie' en
was hij sinds oktober 1936 één van de redacteuren van de Birobidjaanse krant 'Voorpost'.